Pagina 1 van 1

[Verhaal]De Roze Ridder

Geplaatst: 02 jul 2010 09:46
door Stiko
Hoe het een beetje uit de hand kan lopen als je eens alles van je af wil schrijven. :lol:

De Roze Ridder

Proloog

Ik zie het zo voor me, iedere keer als ze het roepen. Ik zie mezelf op een groot, sterk maar spierwit paard het schoolplein oprijden. De massa zou uiteenwijken en ik zou hen recht in de ogen kunnen kijken. Ofja, wanneer zij uitgestaard zouden zijn natuurlijk. Dat zou wel even duren, want ik zou er indrukwekkend uitzien. Ik zou een groot driehoekig roos schild aan het zadel hebben hangen, waarop 2 gekruiste rozen zouden staan, waarboven een bloedrood hart prijkt. In mijn linker hand zou ik een vaandel dragen, een regenboogvlag die trots zou wapperen in de plots opgekomen wind. Met mijn rechterhand zou ik een zwaard half uit de schede trekken, maar ook een open zak met gouden munten vasthouden. Zo zou ik, net als vrouwe Justitia in haar oorspronkelijke vorm, laten blijken dat ik liever diegene die goed voor me deden beloon dan dat ik wie me kwaad deed wil straffen. En dat zal langzaam tot ze doordringen, en ze zouden voor het eerst terecht roepen;
“Pas op! De roze ridder komt!”



Vallen


1. De laatste dag vakantie


31 Augustus, de laatste dag van de vakantie. De laatste van 64 dagen zonder zorgen. Nujah, zonder zorgen… daar valt over te twisten. Natuurlijk was vader er weer in geslaagd om op zeer spectaculaire wijze iets te breken. Dat doet hij wel vaker sinds hij de 35 gepasseerd is. Ditmaal was Mr. Midlife er in geslaagd om met een quad in een ravijn te rijden. Moet je toch al een hele held zijn om in ons België een ravijn te vinden, en er dan nog in te rijden ook. Maar toch is hij er in geslaagd. 8 Meter is hij naar beneden getuimeld alvorens hij nogal onzacht in aanraking kwam met de rododendronstruiken onder in de kloof. Zo vrij van zorgen kan je deze vakantie dus eigenlijk niet noemen. Het is eerder dat ik 2 maanden verlost was van de opmerkingen en plagerijen van mijn klasgenoten. Of nee, als ik écht eerlijk moet zijn, 2 maanden waarin ik verlost was van de hatelijke opmerkingen en de pesterijen van mijn ex-klasgenoten. Ex-klasgenoten, want dit jaar begin ik op een nieuwe school. De derde sinds ik op het middelbaar zit, de 3de in 5 jaar. Sinds het 2 de was ik al ieder jaar van school verwisseld; verhuist, van richting veranderd, weggepest. “Nieuwe mensen leren kennen zal je goed doen, Timothy,” meende mijn moeder, “je maakt vast snel vrienden. Bedenk dat niet iedereen evenveel nieuwe kansen krijgt als jij, het lukt je vast!” Ik had nog gehoopt dat ze gelijk had.
Maar die hoop was gesmolten als sneeuw bij deze zomerse temperaturen toen ik vanochtend mijn schoolgerij op ging halen. Ik had een hele poos met mevrouw Gijssen gepraat voor ze over mijn voormalige school begon.

“Dus, je komt van Sint-Andries, Timothy?” Had ze gevraagd. Ik had haar vragend aangekeken en geknikt dat ik inderdaad daar op school had gezeten. “Dan ken je Joris Alkmaar vast?”
Ergens in mijn achterhoofd begonnen er sirenes te loeien. Een soldaatje begonnen in paniek om versterking te roepen. Door de radio weerklonk een oproep om versterking en het bevel om schuilkelders op te zoeken. Ik keek mevrouw Gijssen bezorgd aan.
“Een kennis van u?” Vroeg ik, nog hopend dat het loos alarm was. Ze schudde haar hoofd. “Nee, die jongen is hier ook ingeschreven. Hij komt bij jou in de klas te zitten.” Het alarm hield op. Het soldaatje riep om hulp. De atoombom sloeg keihard en genadeloos in op het Hiroshima in mijn hoofd. Ik voelde dat ik bleek werd. Dit hoefde ze niet teveel op te merken… Ik stond op, bedankte mevrouw Gijssen voor de aangename verwelkoming en wandelde zo snel als de beleefdheid toestond het schoolgebouw uit. Vanochtend hadden moeder en ik dus nog gehoopt op een nieuwe start, een nieuwe kans… Ik hoopte nu om niets meer dan een mirakel. Een blikseminslag ofzo, een wereldwijde pandemie waar enkel Joris het slachtoffer van zou zijn… Nujah, is het dan nog wel een pandemie?

2. Een oude bekende

“Heb je al je spullen bij je?” Vroeg moeder, overbezorgd als altijd.
“Ja, denk het wel.” Was mijn antwoord.
“Je bus vertrekt om 10 voor 8,” Mengde nu ook vader zich in het gesprek, “zorg dat je die niet mist”
“Euhm, ik ga wel met de fiets.” Mompelde ik, “Ik heb geen zin om dadelijk in alle drukte te worden geduwd.”
“Maar het regent!” Riep moeder verbaasd uit.
Ze had gelijk, het regende buiten pijpenstelen. Toch dreef ik koppig als altijd mijn wil door en haalde mijn fiets uit de garage. Het was een oud, roestig geval. 2de Hands, zeker 100 jaar oud ook als je het mij vraagt. Maar hij was deftig en betrouwbaar, steviger dan al die fietsen van tegenwoordig.
“Wees voorzichtig!” Riep moeder me nog na toen ik de hoek omreed.

Het begon steeds harder te regenen. Ik was doorweekt en was nog niet eens halverwege. Het was geen weer dat je verwachtte in september, niet zonnig, niet zomers. Maar het paste wel bij hoe ik me voelde, dus ik maakte me er niet druk over. Het weer was even depressief en onzeker als ik dat was. Beide wisten we niet wat zou komen, zouden we liever terug willen naar een veilige haven, maar hadden we geen andere keus. Dus fietste ik verder, met hetzelfde gevoel als een biggetje dat naar een slachthuis wordt geleid. In de verte doemde mijn slachtbank op. Gemeenschapsonderwijs was het enige dat ik kon lezen van de grote plaat boven de poort. Grote rode letters, alsof ze al met mijn bloed geschreven waren. Ik voelde hoe een krop zich vormde in mijn keel. Ik keek op mijn horloge. 8Uur13. Veel te vroeg. Ik parkeerde mijn fiets in het fietsenrek en legde hem met veel zorg op slot. Weer keek ik op mijn uurwerk, 8.16. Kon ik nog ergens tijd mee verspillen? Nee, hier niet. Ik liep het plein op, en merkte opgelucht op dat iedereen, zelfs de toezichthoudende leerkrachten, zich onder het afdak hadden verschanst. De prop in mijn keel verdween, ik nam diep adem. Ik ging tegen een muurtje staan, terwijl de regen in dichte vlagen in mijn gezicht sloeg. Het kon me niet schelen. Ik stond goed. Ik stond ver weg van de menigte, ze konden nieuwsgierig kijken, maar ik hoefde hun blikken niet te beantwoorden, noch hun vragen. Ik kroop dieper weg in de kraag van mijn jas toen ik merkte hoe iemand op me toe waggelde. Natuurlijk herkende ik Mevrouw Gijssen, maar ik deed er alles aan om haar niet te hoeven “zien”. Ik had geen zin in opgewekt getater.
“Timothy?” klonk het.
“Ah, Mevrouw Gijssen, ik had u niet opgemerkt.” Ik wist niet of ik goed kon acteren, maar de gespeelde verbazing leek haar toch echt.
“Wat sta je hier nu in de gietende regen te doen, jongeman? We hebben hier een afdak hoor!”
“Dat merkte ik,” antwoordde ik droger dan ik in deze gietende regen kon zijn, “Maar er staat iets teveel volk onder, naar mijn mening. Ik hou niet zo van drukte, ziet u?”
“Je kan je ook in de studiehal zetten, hoor, daar is het rustiger.”
Ik knikte. “Dat is misschien een idee voor straks.”
“Straks? Waarom ga je er nu al niet…” Mevrouw Gijssen kon haar zin werd bruusk onderbroken door het belsignaal. Ik keek haar lachend aan. “Daarom dus.”
Ze ging me voor naar de rij. Het was afgelopen met het ontwijken van de nieuwsgierige blikken, gedaan met het niet horen van de vragen.

Mevrouw Gijssen wenkte dat we haar mochten volgen. Ze was een knappe vrouw van een jaar of 40. Maar ze leek nog best jong van mentaliteit, en zo was ze ook gekleed. Ze droeg een jeans, een rode trui en een brede,lichte sjaal. Haar donkere haar droeg ze los en het stak echt alle kanten uit. Ons lokaal zag er uit als ieder klaslokaal. 3 Rijen banken, grauwe,saaie muren en grijze kasten erlangs. Het bord was anders dan die op St.-Andries. Daar waren de borden steevast groen, hier was het bod pekzwart. We mochten gaan zitten waar we wilden, zolang dat ging zouden er geen vaste plaatsen gegeven worden. Ik zette me achteraan, in de linkerhoek. Dat was een prachtplek om te observeren en ik had daar vroeger ook al dankbaar gebruik van gemaakt. Enigszins nieuwsgierig keek ik de klas rond en vrij snel kreeg ik een beeld van wie bij wie hoorde, wie vrienden waren en wie absoluut niet. Langzaam drong echter ook tot me door dat er iets ontbrak. Ik keek vlug de klas rond; er was geen spoor van Joris te bespeuren.
“Als hij te laat is en de plek naaste me is de laatste vrije, dan krijgen we problemen!” Schoot het plots door mijn hoofd. Ik staarde rond en merkte dat enkele nog rechtstonden en naar de lege plaats naast me keken. Een van de meisjes wierp haar rugzak door de klas, pal op de bank. Ik besefte dat dit mijn deeltijdse redding was. Met een flauwe “Haai!” zette ze zich naast me, haar vriendinnen palmde de vrije bank naast ons in. Als het haar vriendinnen waren zou ik niet veel last hebben van mijn buurvrouw, meende ik. Na wat gegiechel draaide ze zich echter naar me om en begon ze me indringend aan te kijken. Ik voelde me er niet gemakkelijk bij, en deed alle moeite van de wereld om de muur naast me erg geboeid te bestuderen.
“Goed,” Begon mevrouw Gijssen haar welkomstspeech toen iedereen zat “de meeste van jullie ken ik al, maar er zijn ook heel wat nieuwe gezichten bijgekomen dit jaar. Ik stel voor dat we ons allemaal om beurten voorstellen. Ik zal wel beginnen, dat breekt het ijs een beetje.” Ze keek de klas rond en ik zag hoe in haar ogen pretlichtjes brandden. “Ik ben dus Mevrouw Gijssen. Ik ben jullie klastitularis en leerkracht Nederlands. Ook Frans en wiskunde geef ik, maar niet bij jullie. De geluksvogels die volgend jaar in deze richting verder gaan zullen mij daar wel voor hebben. Euhm, ik ben 41 jaar en geef al ruim 18 jaar les. Buiten school doe ik aan zwemmen en atletiek. Of ik het goed kan is echter niet mogelijk als vraag.” Gelach. “Dan stel ik voor dat jullie je nu om beurten voorstellen, we beginnen rechts vanachter.” Ik zuchtte, ik zou me pas voor moeten stellen als iedereen zo verveeld was dat ze toch niet luisterden. Ik luisterde niet echt naar wat er gezegd werd. Het kon me gewoon niet schelen wat ze deden in hun vrije tijd. Er zat, op het eerste zicht, niemand bij die enigszins mijn aandacht kon trekken. Wat, naar ik snel zou merken, mijn buurvrouw danig op de zenuwen werkte. Ze zuchtte herhaaldelijk, mompelde dan iets, en deed maar moeite om mijn aandacht te krijgen. Na 17 zuchten draaide ik me naar haar om.
“Als je 17 keer zucht, ga ik er vanuit dat er iets is…”mompelde ik. Ze keek me geschrokken aan. Snel schudde ze haar hoofd en waardoor wat van haar donkerbruine haar voor haar ogen viel.
“Telde je hoe vaak ik zuchtte?” Vroeg ze.
“Ik tel niet echt, ik merk op. Is er iets?” Te kort. Ik voelde dat ik weer te kortaf deed.
“Njaah, niet echt. Ik vind het alleen nogal saai wanneer ik moet luisteren en niet met iemand aan het praten ben.”
“Ai,” Zuchtte ik “dan ben je naast de verkeerde komen zitten.”
Ze keek me opnieuw indringend aan, en ik draaide m’n hoofd, deed of ik luisterde. Ik legde mijn hoofd op de bank en volgde nu de voorstellingen een klein beetje. Weer zuchtte ze, maar ze maakte geen aanstalten nog iets te zeggen. Vaag hoorde ik voetstappen. De klas veranderde plots in Polen en buiten marcheerde de Duitse Wehrmacht, klaar om het onvoorbereide land binnen te vallen. Ik schoot geschrokken overeind en keek bezorgd naar de duer. Er werd 3 keer kort op de deur geklopt en toen ging de klink naar beneden. Ik hield mijn adem in terwijl de deur langzaam openging. Ik herkende het lange,gestijlde bruine haar…
“Wel,”sprak mevrouw Gijssen opgewekt, “jij weet ook hoe een goede indruk te maken… Te laat zijn op je eerste dag! Toch blij dat je er bent, Joris.” Joris keek de klas rond, en toen hij mij opmerkte verscheen er een soort van grijns op zijn gezicht. “Wie we daar hebben!” Riep hij uit. Toen keek hij even strak naar mijn buurvrouw en mompelde: “Pas maar op voor de roze ridder!”
“Ga je zitten, Joris?” Vroeg mevrouw Gijssen lichtjes geërgerd. Joris salueerde en liet zich neerploffen op de laatste vrije plaats. Gelukkig was die aan de andere kant van de klas, ver uit mijn buurt. Mijn buurvrouw draaide zich naar me om.
“Wat bedoelde die? Ken je hem?”
“Kennen is een groot woord.” Probeerde ik luchtig, “Hij zat samen met me op St.-Andries.”
“En wat bedoelde hij met die roze ridder?” Vroeg ze nieuwsgierig verder.
“Ach, is een grapje van daar, niets meer.”
Teleurgesteld omdat ze geen sensationele roddel te pakken had gekregen luisterde ze verder.
Ik sloot mijn ogen en droomde langzaam weg naar het kasteel waarin de roze ridder wel vaker wegvluchtte. Veilig, volledig teruggetrokken in mezelf. Ik had geen idee van wie zich nog allemaal moest voorstellen tot mevrouw Gijssen ‘stem tot me doordrong.
“Timothy, stel jij je even voor aan de klas?”
21 Paar ogen keken me nieuwsgierig aan. Ik keek terug. Ik keek mevrouw Gijssen aan en zij knikte me semibemoedigend toe. Ik schraapte mijn keel.
“Wel, ik ben dus Timothy,” Begon ik. “Ik kom van het St.-Andries college. Ik ben 16, word eind deze maand 17. Verder valt er niet zoveel te zeggen, denk ik.”
“Heb je geen hobby’s?” Vroeg iemand.
“Euhm, nujah, hobby’s… Ik lees wel graag, verder doe ik wel wat aan lopen, maar om dat nu een hobby te noemen…”
“Luister je muziek?” Sprak het meisje naast me plots.
“Ja, Metal.” Ik zuchtte. Ik haatte deze ondervragingen. Vooraan sprong iemand recht en deed zijn trui omhoog. De doodskop op zijn zwarte “Iron maiden”-T-shirt keek me doods aan. Ik lachte flauw en keek de jongen eventjes aan. Bruine ogen, fijn zwart haar en een lach van oor tot oor. Ik knikte hem toe.
“Is er nog iets dat je misschien moet zeggen Timothy?” vroeg mevrouw Gijssen, die blijkbaar de laatste 2 wilde laten spreken. “Niet echt, nee.”
Joris gniffelde. “Echt niet?” Kirde hij. Ik keek hem aan en maakte me zorgen over die blik van hem. Hij keek zoals katten dat doen terwijl ze met hun prooi spelen. Ik huiverde.
Mvr. Gijssen negeerde hem en liet mijn buurvrouw aan het woord. Ze heette Kyara, woonde in dezelfde buurt als ik, kwam met de fiets naar school. Ik besloot om op zijn minst te proberen haar te vriend te houden. Kon geen kwaad. Toen werd Joris aan het woord gelaten.
“Wel, ik kom net als de roze ridder daar,” en hij knikte in mijn richting, “Van St.-Andries. Ze wilden me daar niet meer hebben omdat ik zogezegd voor teveel problemen zorgde. Maar Timothy kan wel getuigen dat dat niet zo was. Ik voetbal,…”Ik luisterde niet maar naar de rest van zijn verhaal. Weer had hij me de roze ridder genoemd en weer hadden enkele nieuwsgierigen me aangestaard. Ik legde mijn hoofd weer op de bank en zonk weg in gedachten.

Het belsignaal beëindigde de eerste 2 lesuren. We stonden op en liepen de gang in. Ik hoorde dat het buiten nog steeds regende, en besloot naar de studiehal te gaan. Maar waar is die? Kyara zou het vast wel weten… Ik greep haar bij haar schouder, iets te bruut, en ze draaide zich met een pijnlijke grimas om.
“Ben jij niet goed ofzo?!” Siste ze.
“O, het spijt me, het was niet mijn bedoeling om je pijn te doen… Ik wou alleen vragen of je me de studiehal kon wijzen.”
Ze draaide met haar ogen. “Volg.”
Ze wenkte de 2 andere meisjes en ging me voor naar de studiehal. Een groot grijs vertrek met rijen banken. Ze zetten zich aan een tafeltje en knikte naar een lege stoel om me duidelijk te maken dat ik daar kon gaan zitten. Ik zette me neer en wachtte op de ondervraging. Er volgde niets. Ze keken me alle drie aan, blijkbaar verwachtend dat ik zou beginnen. Ik haalde diep adem en maakte aanstalten om iets te zeggen, maar Kyara was me toch voor.
“Je komt dus van St.-Andries?”
Ik knikte kort.
“Waarom ben je er weggegaan?”
De vraag waarvan ik hoopte dat ze hem niet zouden stellen, was gesteld. Ik keek hulpeloos rond, twijfelend of ik zou liegen of niet. Ik besloot eerlijk tegen ze te zijn.
“Ik kon niet zo goed met mijn klasgenoten overweg. Ik hoopte dat ik hier een soort nieuwe kans zou krijgen, maar, tjah,…”
“Joris? Hij was 1 van die klasgenoten, niet?”
Ik zuchtte. “Ja, hij was er een van, de ergste…”
“Wat hadden ze dan tegen je?” Mengde één van de andere meisjes zich. Jessica, herinnerde ik me later.
“Ach,” Mompelde ik, “als je anders bent ben je niet zo welkom op Andries.”
Drie fronsende blikken waren op mij gericht toen de deur van de studiehal met veel te veel show openvloog. Ik moest niet eens opkijken om te weten wie voor al dat spektakel zorgde.
“ Ha, roze ridder!” Riep Joris, “Ik vroeg me al af waar je uithing. Ik had verwacht dat je ergens in een hoekje zou staan huilen.”
Ik keek Joris strak aan.
“Ga toch spelen, Joris,” Mompelde ik “ik hoef je gezelschap niet.”
Joris lachte, vals als altijd. “Dat komt goed uit!” Riep hij theatraal, terwijl hij om zich heen keek om te zien of zijn optreden de aandacht trok. “Ik hoef het jouwe ook niet. Want weet je, Roze ridder, ik hou niet zo van jou soort.”
Ik duwde de stoel achteruit en stond op. Ik rechtte mijn rug en keek Joris dreigend aan.
“Timothy!” Siste Kyara “Doe niet dom en ga terug zitten.”
“Kyara toch!” Hoonde Joris, “Bespaar jezelf de moeite en wordt alsjeblieft niet verliefd op die kerel!” Hij wees met zijn vinger mijn richting uit en trok een grimas alsof hij naar een wegrottend lijk wees. “Je zou er je tijd mee verspillen, Timothy houdt namelijk niet zo van meisjes!” Ik greep het handboek dat op de tafel lag en smeet dat met alle kracht naar Joris. Het raakte hem recht op de borst, en met zo’n impact dat hij zijn evenwicht verloor en achterover viel. Ik liep naar hem toe, raapte mijn boek op en ging naar buiten. Ik kroop weg in mijn gedachten. De regen maakte me zeiknat, maar ik voelde het niet. Ik was niet meer in mijn lichaam. Ik zweefde rond, woedend. De rest van de dag kroop voorbij. Kyara was zo lief om me toe te fluisteren dat voor haar het niet uitmaakte wat ik was, zij wilde me leren kennen. Bij het laatste belsignaal sprintte iedereen weg, ik treuzelde bewust. Ik liep als laatste het schoolgebouw uit, naar de fietsenstalling. Terwijl ik mijn fiets losmaakte hoorde ik iemand naderen.
“Haai!” klonk een vriendelijke stem achter me. Ik draaide me om en zag Kyara met haar fiets aan de hand achter me staan. “Ik moet dezelfde kant op als jij,” Mompelde ze, “dus ik dacht dat je het misschien fijn vond om wat gezelschap te hebben?”
“Hangt er vooral van af wie het gezelschap is.” Antwoordde ik. Pas een tel later besefte ik dat dat niet echt vriendelijk was. Ze trok een beteuterd gezicht.
“Ben ik goed gezelschap?” Vroeg ze vervolgens, op een manier die deed denken aan een spinnende kat.
“Meer dan goed.”Lachte ik haar toe. Ik trok mijn fiets uit het rek en merkte dat ze er verbaasd naar keek. “Wauw,” begon ze, “die heeft je vast een fortuin gekost!”
Ik keek haar niet begrijpend aan. ze giechelde.
“Alez Timothy, Dat ding stamt uit de tijd van Karel de Grote!”
Ik rolde met m’n ogen en lachte. Zij schaterde het uit. Ik stapte op m’n fiets en we reden lachend weg. Daarna kwam er een ongemakkelijke stilte. Ik wist niet wat te zeggen, en zij zat blijkbaar toch ergens mee.
“Euhm,” Verbrak ze ons stilzwijgen, “Timothy…”
“Ja?” Vroeg ik
“Vind je het niet vreselijk hoe Joris tegen je doet?”
Ik zweeg en dacht even zwijgend na.
“Joris is een inhoudsloze eikel,” Begon ik mijn relaas, “Wat hij zegt zou ik me niet moeten aantrekken. Maar, dat lukt niet. Je kan proberen het van je af te zetten, maar ze vinden altijd wel iets om je te kwetsen.”
Kyara keek me bezorgd aan.
“Ben je bang dat hij de klas tegen je op zal zetten?” Opperde ze.
Ik haalde mijn schouders op. “Misschien.”
“Denk je dat het helpt als je hem voorbent?”
“Wat bedoel je daar mee, Kyara?”
“Hem voor zijn. Iedereen heeft gehoord hoe hij je “roze ridder” noemde, en bij sommige gaat er vast al een lampje branden. Als jij nu Joris voor bent en het opbiecht, misschien helpt dat.”
Ik beet op mijn lip. Het vertellen aan de hele klas? Nu al? Ik wist hoe mijn vorige klas had gereageerd. Boos, vijandig… Ze hadden me verstoten, vernederd en gekleineerd. Daar was ik voor weggevlucht, en nu kwam zij met het voorstel om het te vertellen op de proppen.
“Misschien.” Zuchtte ik.
Ze zweeg en keek weg.
“Kom je me morgenvroeg oppikken?” Veranderde ze van onderwerp. Ik knikte. “10 voor 8.” Riep ze terwijl ze haar oprit opreed.

Moeder stond me net niet buiten op te wachten. “En,” Riep ze terwijl ik de deur opendeed, “ hoe is het gegaan?”
“Goed!” Antwoordde ik, “Er zitten best toffe kinderen bij, lijkt me.”
Moeder keek me strak aan.
“Maar…?” Vroeg ze.
“Joris is nog steeds dezelfde zak als ie altijd was.” Ik spuugde het uit. Moeder schudde haar hoofd.
“Ik snap het niet, Timothy, écht, ik snap het niet.”
Ik haalde m’n schouders op. “
Ik ook niet, Mam, ik ook niet.”
Terwijl ze zich omdraaide en in de keuken aan de slag ging trok ik mij terug op mijn slaapkamer. De gezichten van de Metalbands aan de muur keken me bezielend aan. Ze waren allemaal verstoten uit de mainstream, maar nog steeds gingen ze vol vuur verder met wat ze waren. Anders, maar er trots op. Het idee troostte me een beetje, ik voelde diep binnenin een klein vlammetje oplaaien. Ik liep de kamer door naar de Cd-speler en drukte op de “play”-knop. Een gitaarsolo vulde de kamer.
“I gaze at the moon and it's staring back at me. I wonder if she could ever feel the pain I feel. Alone now I stand, is this the beginning of the end? I'm not quite so sure what all this sorrow was meant for.”
Ik liet me op mijn bed vallen en sloot mijn ogen. Besluitloos lag ik zo enige tijd naar de muziek te luisteren. Toen zette ik me overeind en haalde de blikken doos die onder mijn bed stond boven. Ik deed ze open en bekeek een voor een de vele foto’s die ik in de loop der jaren bijeen had gekregen. Leuke foto’s, vanuit het lager, het middelbaar,vakanties… foto’s van de zorgeloze momenten voor dit alles begon. Ik stopte. Een foto van een lachende jongen en mezelf deed een huivering door mijn hele lichaam gaan. Ik keek naar het gezicht van de jongen. Hij lachte, vriendelijk. Het was een bewerkte foto, maar het opschrift “Friends for ever” was niet nodig om te tonen dat de jongen en ik goede vrienden waren. Ik verfrommelde de foto en wierp hem weg. Nee, dat bevredigde me niet genoeg. Ik raapte de prop op, vouwde hem open en begon hem in stukjes te scheuren.
“Consumed by the pain, I'm left here, standing in the rain -by your Grave. Betrayed by our fate, all that's left in me is hate. Now it seems to me, our live ‘s a fading memory.”

3. “Uit de kast werkt beter”

Kyara taterde vrolijk tijdens het fietsen. Ze had het over een film die ze gisteravond gezien had. Ik was niet zo’n tateraar, maar zij nam blijkbaar al genoegen met een “uhum” of een “ah” van tijd tot tijd. Na een goede 20 minuten kwamen we aan op school. Ik zuchtte en zij keek op.
“Wat is er?” Vroeg ze, plotseling bezorgd.
“Het regent niet, dus de hele speelplaats zal wel vol staan.” Ik grijnsde om de term speelplaats. Het klonk zo, kinderlijk en ongepast.
“Wat kan jou dat schelen?” Lachte ze schel, “Jij komt toch bij ons staan?”
“Als ik weet wat “ons” inhoud kan ik daar meer over zeggen.” Was mijn antwoord. Ze rolde met haar ogen.
“Bij ons; Jessica, Kristen en ik.”
Ik knikte en liep naast haar de speelplaats over. Jessica stak toen ze ons aan zag komen haar hand op. Zij en kristen zaten op een bankje dicht bij de rij en leken wat opgewonden. Ik begroette hen met een knikje. De tijd ging veel langzamer dan gisteren, waarschijnlijk vooral omdat die gevuld werd met gegiechel en geroddel, zoals meisjes dat nu eenmaal gewoon zijn te doen. Ik begon me net of te vragen waarom ik bij hen was gaan zitten. Het was niet dat ik hen niet moest hebben ofzo, het was aangename gezelschap, maar ze praatten te veel naar mijn zin. Gelukkig bracht de bel redding.
We begonnen de dag met Moraal, een vak dat ik op St.-Andries nooit had gehad. Andries was katholiek, daar kreeg je godsdienst… Ik vroeg me af wat Moraal net in zou houden, toen de leraar ons naar binnen riep. Het was nog een jonge kerel, en zeker niet onaangenaam. Hij had donkerblond, bruinig haar dat tot net voorbij zijn oren kwam. Langer haar dus. Hij was groot en erg slank, mager zelfs en liep met een elegantie die je weinig zag bij mannen. Ik vond hem al aardig voor ik hem kende. Kyara had gemerkt dat ik hem even grondig bestudeerd had en kwam naast me lopen.
“Een 8, niet?”
Ik kon weer niet volgen.
“Hoeveel zou jij hem op een schaal van 1 tot 10 geven?” Drong ze aan.
Ik was verrast door haar kinderlijke spelletje en besloot maar mee te doen.
“8, Njaa, iets meer. 8.5 Lijkt me gepaster.”
Ze giechelde.
“ ’t Is best een aangename leraar ook. Hij behandelt ons als volwassenen en niet als kinderen.”
Het lokaal dat voor moraal gebruikt werd was veel fraaier dan dat voor de andere vakken. De muren hingen vol met posters, affiches eigenlijk, van allerlei campagnes. Ik bekeek ze een voor een en begon me een beeld te vormen van wat moraal in zou houden. Allerlei thema’s waar mensen weleens afkerig tegenover stonden hingen er uitgestald. Een man die in een kast aan het werken was, die poster kende ik. “Uit de kast werkt beter”, Was de slogan die er bij hoorde. Een campagne om holebi’s zich op het werk en op school te laten outten was het geweest. Ook de campagne ter preventie van Aids, de campagne voor de 3de en 4de wereld,… alles had wel een poster hierbinnen.
Er volgde een vrij saaie introductie van wat moraal net inhield. Hoe men op eigen houtje vrij onderzoek moest doen om zich overal een beeld van te vormen. Toen begon ook hier weer en voorstelronde, waarbij men niets geheim moest houden.
“Alles was je wil zeggen kan je hier kwijt,” had meneer gezegd. Kyara had me aangekeken om duidelijk te maken dat dit dé kans was om het op te biechten. Ik sloot mijn ogen en stak mijn hand op om me voor te stellen.


4. “1 Jaar gratis”

Ik had vroeger vaak naar “1 jaar gratis” op de vrt, 1 of later één gekeken. Het fascineerde me steeds hoe de mensen kozen achter wie ze zouden gaan staan, wat hen daar toe dreef, wat hen aansprak of afstootte… de eigenlijke quiz interesseerde mij niet, hoe de mensen zich gedroegen wel. Ik had het gevoel dat ik een van de deelnemers was die vooraan stond, en Joris mijn tegenstrever was. De klas luisterde namelijk aandachtig naar wat ik vertelde, naar mijn verhaal. En ik merkte hoe de stoel van mijn buurjongen beetje bij beetje van de mijne wegschoof. Ik merkte hoe enkele vol afgrijzen luisterden, maar ook hoe enkele andere dat met een zeker sympathie deden. Ik besloot mijn verhaal met de woorden;
“Ik ben wie ik ben. Je kan me daar voor haten of me appreciëren. Wat je doet is jouw zaak, wie ik ben, wat ik ben, de mijne.”
De andere voorstellingen waren korter, meer gehaast. Iedereen leek er zo snel mogelijk van af te willen zijn. Het belsignaal ging, deze les was voorbij.
Ik pakte mijn spullen bij elkaar en maakte me klaar om naar wiskunde te vertrekken.
“Wacht je een secondje, Timothy?” riep meneer Janssen toen ik door wilde gaan. Ik knikte kort en bleef staan. Kyara vatte post voor de deur om me op te wachtten.
“Het is knap dat je je verhaal zo open en eerlijk hebt gedaan, Timothy,” begon hij, “ik heb daar bewondering voor. Mocht er ooit iets gebeuren waar je over zou willen praten, dan kan je dat gerust komen doen. Niet iedereen zal even positief reageren, en wanneer het je teveel mocht worden…” Ik knikte: “Dan weet ik u te vinden.” Samen met Kyara liep ik naar wiskunde, waar we iets te laat aankwamen. Ik klopte en deed de deur open, merkende dat de les al begonnen was.
“Ha, tortelduifjes!” begroette de leraar ons. Ik rolde met mijn ogen en melde droog wat de reden van ons later zijn veroorzaakt had. Ik was doodmoe aan het einde van deze les en hees me moeilijk van de stoel. Kyara, Kristen, Jessica en ik liepen de speelplaats over naar het bankje. Ik voelde hoe enkele blikken in mijn rug brandde maar probeerde ze te negeren. Het was niet de wiskunde alleen die me even moeilijk stemde. Het was 1 jaar gratis geweest. En hoewel enkelen in mijn vak waren bij komen staan, hadden er zeker evenveel zich in Joris’vak geplaatst. En dat maakte me enigszins ongerust…

5. Oog om Oog

Het was Karel die het eerste in ons vak sprong. Hij was de jongen met het “Iron maiden” T-shirt. Ook vandaag droeg hij er een. Met een stille maar hartelijke “Hey!” kwam hij bij ons staan. De meisjes tetterde vrolijk verder terwijl wij er maar wat zwijgzaam en doelloos bijzaten.
“Luister je enkel naar ‘Maiden?” Vroeg ik, om het ijs te breken.
Hij schudde van nee. “Manowar, Axenstar, Axxis,… zo’n groepen gaan er wel in.”
Ik knikte. Al de groepen die hij opnoemde hadden een poster op mijn kamer.
“Luister je echt metal?” Vroeg hij toen.
Ik keek hem aan, niet begrijpende waarom hij twijfelde aan hoe ik me had voorgesteld.
“Natuurlijk,” Antwoordde ik “dat is nu niet echt iets waar je over moet liegen, toch?”
“Tjah, ik weet niet… Ik had altijd het idee dat euhm, mensen als jij, euhm…”
“Homos dus.” onderbrak ik hem droog. Karel zweeg en keek schuldbewust naar de grond. “Ga je nu nog zeggen wat je wou zeggen?”
“Wel,” hervatte hij zijn zin, “Ik had nooit gedacht dat homos metal zouden luisteren… Ik had meer het beeld van jullie als mensen die rondhuppelen van die op kleffe muziek.”
Ik lachte. Ik had het al zo vaak gehoord, en het was inderdaad vaak wel zo. Maar niet voor ieder van ons gaat die regel op. Nog even praatte we verder over de groepen die hij opsomde en ik kwam tot de conclusie dat Karel een toffe kerel was. Waren ze maar allemaal zo…

“Karel!” Klonk plots een bekende stem over de speelplaats, “Je hebt toch een bord in je broek gestopt hé?” Ik zag hoe mijn tegenspeler uit vak zwart samen met zijn “medespelers” onze richting uit kwam. Vak roos schrok op en hield de adem in. Joris kwam dreigend voor ons staan en maakte zich zo groot als hij kon.
“Met jou heb ik trouwens nog iets te bespreken, Darmwerker.” Siste hij in mijn richting.
Ik voelde de bui al hangen. Ik stond recht en ging voor Joris staan.
“Daar krijg je dan nu de kans voor.”
Joris keek me woedend aan en als blikken konden doden had ik vast niet lang meer gehad. Zijn gezicht liep rood aan en hij balde zijn vuisten. Ik staarde terug. Ik voelde dat de woede en de angst die ik jaren voor hem gevoeld had langzaam wegstroomde. Karel kwam naast me staan en wrong zich tussen Joris en mij in.
“Wat is jouw probleem in hemelsnaam?” Sprak hij kalm, met duidelijke afkeuring in zijn stem, “Hij heeft je niets misdaan, toch?”
Joris gaf Karel een duw. Karel week een pas achteruit en schudde het hoofd. Hij draaide zich naar de meisjes en mij om en begon verder te praten alsof Joris en zijn clan er niet waren, alsof ze niet bestonden. Al snel ging het weer over muziek en droop Joris af.

De rest van de dag verliep zonder dat er iets spectaculair gebeurde. Joris liet ons met rust en ondertussen kwamen ook nog enkele andere bij ons staan. Gino, die het ex-vriendje van Kyara was, zette zich tijdens de middag bij ons aan tafel en ondervroeg me zonder gêne over mijn geaardheid, relaties,… Hij had er duidelijk geen probleem mee en was erg nieuwsgierig. Ook Caroline, zijn vriendin, was er bij komen zitten en babbelde vrolijk met Kyara, Jessica Kristen. Het was gezellig en niemand viel ons zo lastig.

Toen het laatste belsignaal het einde van de dag inluidde slenterde Kyara en ik naar de fietsenstalling. We maakten onze fietsen los en terwijl ik met het slot aan het klooien was voelde ik plots een hand me bij mijn schouder nemen. Ik schoot recht en draaide me om. Een vuist raakte me hard in mijn gezicht. Ik viel en mijn hele hoofd bonsde. Kyara sloeg een gilletje maar een luide stem riep haar toe om te zwijgen. Ik herkende de stem en huiverde. Joris was daarstraks afgedropen, maar niet vergeten wat hij wilde. Hij trapte me hard in mijn maag en ik trok beschermend mijn benen op. Nog enkele malen trapte hij na en toen sprong hij lachend op zijn brommer. Ik ging zitten en legde mijn armen om mijn knieën. Ik voelde me op dat ogenblik zo klein, ondanks mijn volle meter negentig. Ik keek rond en merkte dat Kyara naast me was komen zitten en me bezorgd aankeek. Ze schudde meewarig haar hoofd. “Wat is dat toch met hem?” Zuchtte ze, “Wat heeft hij toch tegen je?”
Ik zweeg en staarde naar een stomme merel die aan de andere kant van de straat rondhuppelde.
“Kom, sta op, we gaan door.”
Ze zuchtte nogmaals toen ik geen aanstalten maakte om antwoord te geven. Ik hees mezelf overeind en greep mijn fiets. Zwijgzaam reden we naar huis toe. Ieder met zijn eigen gedachten. Ik vroeg me af of ik het nog lang vol kon houden, Kyara vroeg zich ongetwijfeld iets anders af. Pas toen we haar straat indraaide zei ze iets.
“Morgen gaan we naar mevrouw Gijssen.” Het was geen vraag, het was een mededeling. Of ik nu wilde of niet, wat ik er ook van dacht, morgen zouden we dat doen, Punt. Ik zuchtte. Ik wist wat spreken betekende… Een tipje van de sluier oplichten en dan het hele verhaal moeten doen. Ik zuchtte.

Ik wist dat moeder het ging zien. Door de val had ik een gat in mijn broek en de schaafwond eronder bloedde vrij hevig. Ze zou het ruiken en zou hetzelfde zeggen als Kyara.
“Morgen ga je naar die mevrouw Gijssen.” Besloot ze toen ik haar had verteld wat was gebeurd. Ik had het geweten dat ze dat zou zeggen, en toch verbaasde het me een beetje. Ze had niet getwijfeld, niet stilgestaan bij vroeger en gewoon haar conclusies getrokken. Ik dacht er lang over na en besloot dat ik haar voorbeeld maar moest volgen. Ik moest vroeger achter me laten…

6. De Rubicon oversteken

Met het gevoel dat vandaag een erg belangrijke dag zou worden hees ik mezelf uit bed. Ik groef diep, mezelf afvragend wat er ging gebeuren en toen ik mijn geschaafde knie strekte, schoot het me te binnen. Vandaag zouden we mevrouw Gijssen inlichten. We zouden vandaag datgene doen dat alles onomkeerbaar maakte. Ik zou mijn verhaal moeten vertellen, alles, en daarna te boek staan als “de gepeste homo”, en Joris zou de pestkop weer zijn. Mijn benen werden zwaar en ik liet me op bed terugvallen. De kamer danste…

Ik twijfelde… het zou onomkeerbaar zijn, en alles zou weer veranderen. Het zou groots aangepakt worden maar vast niet helpen, integendeel zelfs. Alles zou verslechteren. Ik begreep maar al te goed dat wanneer Kyara of Karel meegingen, hij het ook hen zuur zou maken. Nee, dit moest ik alleen doen. Ik ging naar beneden, at een bord ontbijtgranen en liep de deur uit. Mp-3 volledig open. Ik nam mijn gsm en stuurde Kyara het berichtje dat ik vroeger vertrok maar ze zich niet hoefde te haasten, dat ze beter gewoon vertrok en niet haar best deed om me bij te halen. Ik sprong op mijn fiets en begon te rijden. Ik trapte niet op de pedalen, ik stampte. Iedere seconde dreef de muziek me verder en ik reed sneller dan ik ooit had gedaan. De schoolpoort doemde op toen mijn gsm piepte. Kyara: “K. Cu@school” Ik zette mijn fiets in het rek en liep rechtstreeks naar de leraarskamer. Ik klopte aan en enkele tellen later deed iemand de deur open.
“Kan ik je helpen?” Vroeg de leraar vriendelijk.
“Ja,” Antwoordde ik, met een droge keel, “Kunt u mevrouw Gijssen even roepen?”


7. Meelij

“Maar Timothy toch!” Reageerde mevrouw Gijssen ontzet toen ik haar had verteld wat was gebeurd. “Hoelang gaat dit al zo, waarom zei je niet direct iets?”
Ik haalde mijn schouders op.
“Je blijft hopen dat mensen veranderen en dat alles weer wordt zoals vroeger.” Mompelde ik.
Ze keek me een tijd lang stilzwijgend aan. “Jongen toch.”
“Weet u,” Begon ik, in een wanhoopspoging om mezelf wat op te beuren en alles er uit te gooien, “ik ken Joris al mijn hele leven. Vanaf de kleuterklas trokken we samen op, we waren twee handen op 1 buik. En toen ik 2 jaar geleden besloot dat ik ‘mijn geheim’ niet langer voor mezelf kon houden, heb ik dat allemaal stuk gemaakt. Toen ik het Joris vertelde, reageerde hij eerst niet. Hij was bij ons thuis, ik dacht dat,nujah,… Hij stond op, nam zijn jas en ging weg. Hij trok de deur achter zich dicht zonder ook maar iets te zeggen, zonder om te kijken,… Het is op die dag dat ik de Joris die ik kende voor de laatste keer zag. De dag erna al begon hij me te kleineren, te beledigen,… En het ergste van alles is dat ik niet boos op hem kan zijn! Ik zie nog steeds het kleine jongentje waarmee ik als kind voetbalde, kampen bouwde,… Ik kan dat niet vergeten.” Ik hield het niet meer en liet de tranen de vrije loop. Het was gebeurd, de teerling was geworpen.

Mevrouw Gijssen legde haar hand op mijn schouder en keek me diep in de ogen.
“Hier trekken we de lijn, Timothy.” Zei ze met meelij duidelijk hoorbaar in haar stem, “Hier stopt het. We gaan hier aan werken, met z’n allen. Dit moet ophouden.” Ik keek op en knikte. Ik veegde de tranen uit mijn ogen en merkte dat ik me beter voelde. De leerkracht moraal had zich naast mevrouw Gijssen gezet en mompelde iets. Ik kon niet horen wat.
“Ja,” Antwoordde ze op wat hij had gezegd, “dat kunnen we zeker proberen.”
Er viel een korte stilte. Mevrouw Gijssen keek me aan en begon meneer Janssen ‘s woorden te herhalen.
“Je hebt gisteren eerlijk en open vertelt over je geaardheid. Misschien helpt het als we vandaag de klas open en eerlijk over hun standpunten laten vertellen.”

8. Vriend en Vijand

We begonnen die dag met Nederlands, wat we van mevrouw Gijssen kregen. Zij maakte echter geen aanstalten om aan haar les te beginnen.
“Zo,” Zei ze toen iedereen zich had neergezet, “is er iemand die iets wil vertellen?”
Kyara keek me aan met een blik van; “Je hebt het toch gedaan!” De klas zweeg. Mevrouw Gijssen keek rond en liet haar blik op Joris rusten.
“Jij misschien, Joris?” vroeg ze poeslief.
Joris haalde zijn schouders op. “Niet direct.” Antwoordde hij.
“Vind je dat nu stoer, Joris?” Riep Kyara door de klas. Ze verloor haar geduld en zelfbeheersing, misschien ook wel haar verstand. “Iemand een pak slaag verkopen en dan doen of je neus bloedt?”
Joris schoot recht op zijn stoel en keek Kyara woedend aan.
“En wie denk jij te zijn dat je je daar mee kan bemoeien?” Blafte hij terug. “Dat is iets tussen mij en die roze ridder van je!”
Op de gezichten van de andere leerlingen was niets af te lezen dan een te grote hoeveelheid sensatiezucht. Ik kreeg al spijt van wat ik gedaan had. Nu had hij ook een reden om tegen Kyara in te gaan.
Mevrouw Gijssen wierp het roer om en richtte zich tot Kyara.
“Jij hebt blijkbaar wel iets te zeggen, Kyara?”
Kyara keek haar aan en vertelde wat gisteravond gebeurd was. Karel, vooraan in de klas, keek nijdig naar Joris. Deze zat nonchalant op zijn stoel te wiebelen en deed of hij niet luisterde. Het waren kleine dingen die hem verraadde. Dat hij zweeg, bijvoorbeeld, dat hij mij noch Kyara noch Karel aankeek of verwijten naar het hoofd smeet.
“Mag ik vragen waar die haat voor Timothy vandaan komt, Joris?” Vroeg mevrouw Gijssen toen Kyara uitgepraat was. Joris haalde zijn schouders op.
“Ik heb het niet zo voor reetatleten.” Was zijn kille antwoord.
“Ja,” viel een van zijn “vakgenoten” hem bij. “ik wil niet dat die janet bij ons douchet na Sport!”
Ik rolde met mijn ogen.
“Hoef je je niet druk om te maken.” Merkte ik op, “iemand als jij zou me al moeten betalen voor wat aandacht. En daarbij, een elektronenmicroscoop hebben we hier op school niet, dus veel zal ik sowieso niet te zien krijgen.”
Enkelen lachte. Mevrouw Gijssen schudde het hoofd en ik kreeg dadelijk spijt van mijn opmerking. De jongen die Joris bijgevallen was zweeg en keek weg. “1-0” Siste Jessica die voor ons zat.
Joris draaide zich naar mij om en keek me een tijd zwijgend aan.
“Weet je eigenlijk wel wat jij bent?” Vroeg hij plots, wit van razernij “Weet jij wel wat wat jij bent betekend? Je bent een Homo, Timothy, het laagste van het laagste. Een kontenpakker, een gatgarnaal, een bruinwerker, een Janet. Denk je nu echt dat iemand dat kan aanvaarden? Je bent gewoon ziek!”
De klas zweeg, ik had het gevoel dat ik een klap in het gezicht had gekregen.
“En wat ben jij dan?” schoot ik terug, “Jarenlang heb ik jou geholpen bij al je problemen, jarenlang heb ik achter je gestaan en je gesteund. En dan liet je me vallen omdat ik toevallig niet ben zoals jij, zoals jullie. Als ik al het laagste ben, wat ben jij dan in hemelsnaam?”
Joris schudde het hoofd.
“Je stond maar al te graag achter me, Roze ridder!” Riep hij, kwaad. Ik kookte, greep mijn spullen bijeen en stond op. Ik liep de klas uit, richting studiehal. Daar greep ik mijn etui en brak alle potloden doormidden. Ik moest af van de woede, ik moest me even afreageren. Net toen ik het 21ste potlood de nek om wilde draaien hoorde ik hoe iemand de hal binnenkwam. Ik keek op en zag hoe Kyara in de deuropening bleef staan. Daar zat ik, de roze ridder, omringd door 20 gevallen vijanden, omringd door 20 gebroken potloden.
“Timothy,” Zuchtte ze en ze liep op me toe. Ze trok de stoel aan de andere kant van de tafel onder de tafel uit en zette zich neer. “arme, arme Timothy”
“Hoe kon je nu zo dom zijn om mijn kant te kiezen!” Verweet ik haar, “Snap je niet wat dat voor jou betekend?”
Ze lachte.
“Wat betekent het dan?” Vroeg ze poeslief.
“Dat hij jou nu ook zal lastigvallen, de eikel!” Ik riep. Ik schrok van mezelf. Ik riep tegen iemand die me steunen wilde.
Nog steeds lachte ze.
“Denk je dat mij dat iets kan schelen, Timothy? Of dat het Karel iets kan schelen? Wij staan naast je, Timothy, we zijn vrienden, snap je? En die kiezen elkaars kant, toch?”
“Vrienden” had ze gezegd. De klank van dat woord deed de hal wat oplichten en voelde goed aan. Ze legde haar handen op de mijne en keek me strak aan.
“Jij bent misschien de roze ridder, maar dan ik ben de gele ridder. En Karel is vast de Zwarte ridder ofzo… We staan naast je, écht.”
“Sorry,” Fluisterde ik “Hoe kon ik zo dom zijn en tegen je roepen. Ik dacht dat…”
“Het is al goed.” Onderbrak ze me, “en het komt wel goed.”
We keken elkaar even zwijgend aan en ik zuchtte diep.
“Dank je, Kyara.”

9. Van kwaad naar erger

Met onze rugzakken en bagage bij ons stonden we op de bus te wachten. De komende week zouden we 24 op 24 met elkaar opgescheept zitten. “Teambuilding” hadden ze het genoemd. Een weekje afzien in de Ardennen, survival. Ik keek er tegen op. Sinds het gesprek in de klas over mijn geaardheid, wat ondertussen bijna een maand en half geleden is, is er niet echt veel veranderd. Joris is nog steeds een eikel en ik hoop zelfs niet langer op enige verbetering. Nadat verschillende van zijn “vakgenoten” hadden geklaagd over een kleedkamer met mij delen, douchte ik in een aparte ruimte. Zoiets zou er echter deze week niet zijn, het zou samenleven worden, noodgedwongen. Beelden van een documentaire op een of ander natuurkanaal schoten me spontaan te binnen. Een mierenkolonie welke door een andere eerst werd opgenomen, en daarna volledig werd uitgemoord. Dat leek me wel iets voor dit weekje “teambuilding”. Kyara zag het net als ik niet helemaal zitten. Piet, een van Joris kornuiten, zag haar echter wél zitten, en het stuk ongeluk liet haar nauwelijks met rust. Ze had hem al vlakaf afgewezen, maar dat had niet het gewenste effect. Nu werd ze overstelpt met sms’jes, mailtjes,… Op school hield hij zich wel koest. Jessica, Kristen, Karel, Kyara en ik trokken erg veel samen op en dan had hij blijkbaar niet het lef om in haar buurt te komen.
“Moest hij maar eens durven.” Had Karel gesnoven toen Kyara het vertelde. Nujah, zo stonden we nu dus ook op de bus te wachten. Wat afgezonderd van de rest van de klas, welke ondertussen erg duidelijk verscheurd was. Wij vormden een kliekje dat Joris duidelijk de rug toekeerde en ons niet met de rest van de groep inlieten. Niet dat we ons wilden afzonderen, het was een gedwongen isolement, maar het deerde niet. Joris’ kliek omsloeg een boel “stoere” kerels welke iedereen die zich positief over ons uitliet een hak zette of begon lastig te vallen. Wij wisten wel dat er genoeg in de klas waren die liever onze kant zouden kiezen, maar het gewoon niet durfden. Het deed er niet toe voor ons. Zij konden zelf kiezen om zich aan die “juk” te onttrekken, het waren zij en niet Joris’ vrienden die kozen wat ze deden. De bus was groot, er was plaats te over. We zette ons vooraan in de bus, wetende dat de rest toch meer naar achter zou kruipen. Karel haalde zijn mp-3 boven en stak een oortje in. Het stond luider dan nodig was, en ik herkende duidelijk de intro. Ik keek naar Kyara, wetende dat zij het liedje ook kende en zodra de tekst begon zongen we beide luidkeels mee.
“Do you know what's worth fighting for, when it's not worth dying for, does it take your breath away and you feel yourself suffocating?”
Kristen schoot in de lach en ook de rest van de klas vond het wel een geinige situatie.
“Heb je je boxjes niet bij?” Vroeg ik hoopvol aan Karel. Hij lachte.
“Zitten in m’n rugzak, neem je ze even?”
Ik dook onder de bank en trok Karel ‘s rugzak er onderuit.
“Voorste zak.”
Ik ritste de zak open en haalde de boxjes eruit. Karel sloot ze aan op zijn mp-3 en zo konden we alle vijf meeluisteren. De 2 uur durende tocht verliep op die manier een pak aangenamer en luchtiger. Van tijd tot tijd brulden we mee met de muziek, en ook anderen pikte weleens in. Het begon er naar uit te zien dat het misschien toch nog wel een leuke week kon worden.

Zodra we op onze locatie aangekomen waren sloeg de sfeer echter om. Zoals we wisten zouden we niet in een huis of bungalow overnachten, maar in tenten. Dat dat in kleinere groepjes zou zijn hadden we ook wel zien hangen. Per 5 was nu de instructie. Karel en ik keken elkaar aan, wij zouden sowieso dezelfde tent delen. Maar welke 3 andere zouden het aandurven om zich “bij de roze ridder te vervoegen”? De groep stond er zonder dat iets gebeurde. Er werd druk overlegd en Karel wees me plots op Gino. Die had altijd laten blijken dar hij ons wel kon verdragen, dat hij geen probleem maakte van hoe ik was, en hij raapte nu bruusk zijn rugzak van de grond en kwam bij ons staan.
“De kleine kindjes willen strootjes trekken.” Lachte hij sarcastisch. “Dus ik dacht dat het voor jullie vast aangenamer was dat ik bij jullie lig, dan één van de geluksvogels met een kort strootje.”
Karel grijnsde en schudde Gino de hand, ik haalde m’n schouders op.
“Strootjes trekken, wat een sukkels.” Fluisterde Karel me toe.

Al bij al hadden we nog geluk met onze lotelingen. Gert was een van de mensen die niets tegen ons had maar ook geen ruzie met Joris wilde, en Rik was ook niet echt iemand waar we last van zouden hebben. Ik besloot hen op hun gemak te stellen door helemaal achter in de tent te gaan liggen, met Karel en Gino als een barrière tussen hen en mij in.
“Wat je al niet moet doen om ‘te overleven’.” Dacht ik in mezelf. Gelukkig was de enige verbintenis met hen het slapen, en waren we overdag vrij om samen te werken met wie we maar wilden. Gino en Caroline sloten zich maar al te graag bij ons clubje aan, waardoor we deze week steeds met z’n zevenen samenwerkte. Nadat we onze tenten hadden opgezet en hadden ingedeeld was het tijd voor de eerste activiteit. De leraren wezen ons op het riviertje dat vlak naast de weide waarop we bivakkeerden liep.
“Deze week zal dat riviertje onze autosnelweg zijn.” Begon Peters van sport. “Het probleem is echter dat je er met een auto niet op kunt, natuurlijk. Het is dus aan jullie om per groep een deftig vlot te bouwen, waarmee je de hele week overal heen kan. Doe het verstandig, als je vlot niet blijft drijven mag je een hele week zwemmen.” We zetten ons snel aan het werk en begonnen aan ons “vlot”. Karel en Gino hadden beide een verleden in de scouts gehad, dus zij namen in ons groepje de leiding. 5 Vaten werden op een houten kruis gemonteerd en daarop legde we dan onze “vloer”. Na een dikke 2 uur was het vlot grotendeels af en waren het nog kleine handigheidjes die we aanbrachten. Met enige moeite bedachten Karel en Gino iets dat als roer kon dienen, en brachten wij een boord aan zodat niets van het vlot af kon rollen tijdens een van de tochtjes. Tevreden over het resultaat begonnen we aan onze proefvaart, en we bleven drijven! Ook het roer werkte vlot en zonder veel moeite wist Karel ons over en weer te sturen. Tegen de stroom in zouden we moeten pedellen, maar gelukkig waren peddels voorzien. Toen alle groepen met hun vlot klaar waren, was het tijd voor het avondeten. Kampvuur, ketel, soep. Als en bende prehistorische mensen zaten we rond ons vuur van een lekkere kom zoute soep te genieten. Erwten, spek, aardappel,… Ik weet niet wat er allemaal in was gegooid, maar het was een hartige maaltijd. Toen iedereen gegeten had begon de zon net onder te gaan. Het was nog te vroeg om ons al ten rusten te begeven, dus werd er voorgesteld om nog een bootrace te houden. Karel en Gino zagen dit dadelijk zitten en ook “Kapitein haak” en zijn kornuiten waren dadelijk akkoord. De meisjes waren minder enthousiast en besloten van op het drogen toe te kijken. Als ik slimmer geweest was had ik dat zeker ook gedaan, maar de kans om een krachtmeting met Joris wilde ik niet laten schieten. Gino, die iets minder sterk was dan Karel en ik bemande het roer, wij zouden roeien. Ik merkte dat Joris nog voor het startsein gegeven was zijn vlot dichter bij het onze bracht en zijn blik boezemde me een ongemakkelijk gevoel in. Ik begon te beseffen dat krachtmeting weleens erg letterlijk zou kunnen zijn. Mr. Peters zette zijn fluitje aan zijn lippen en gaf het startsein. Karel en ik roeide uit volle kracht en we wonnen een zekere voorsprong op de andere vlotten. Joris voerde zijn kornuiten tierend aan, en ook zij begonnen snelheid te krijgen. Beetje bij beetje wonnen ze terrein op ons, en zodra we in een bocht uit het zicht van de leerkrachten waren verdwenen barste de strijd los. Joris greep zijn peddel en sloeg hard en precies op mijn rug. Nijdig sprong ik overeind en greep een van de lange stokken die we “aan boord” hadden voor het geval dat het roer het zou begeven. Zo gewapend sloeg ik even hard terug op Joris en al snel was de bemanning van beide vlotten in een bikkelharde zeeslag verwikkeld. Karel en Gino wierpen zich als beesten op Joris’ vrienden, terwijl Kapitein haak en ik elkaar te lijf gingen. Er werd niet gestoeid, dat was duidelijk. Iedereen sloeg om de ander pijn te doen. Joris stompte met zijn peddel hard op mijn schouder en een korte pijnkreet ontsnapte aan mijn mond. Pisnijdig omklemde ik mijn stok wat beter en stompte met volle kracht naar Joris’ maag. Raak! Joris plooide dubbel, en met nog een klap werkte ik hem in het water. Ook Gino en Karel waren duidelijk de meerdere van de andere bemanning. Toen Joris in het water viel stopte het gevecht en keerden ze hun vlot. Ze dropen af. De andere vloten kwamen dichterbij en verbaasd keken enkele me aan. Mr. Peters die op het lawaai langs de kant was komen aanlopen riep en tierde als een halvegare. In zijn ogen was ik degene die al het hele jaar voor problemen zorgde. Tijdens sport “staarde” ik teveel naar mijn klasgenoten en hij begreep als de beste dat zij een probleem maakte van mijn aanwezigheid.
“Timothy Driessens!” brulde hij, “Maak verdomme dat jij en je homies hier op de kant staan!”
Karel lachte; “Bedoelt u niet jij en je Homos, Meneer?”
Peters ontplofte.
“Naar de kant zeg ik jullie! En dan verdomme jullie tenten in, zonder eten.”
Karel en ik lagen in een deuk. Die stomme aap wilde ons zonder het eten, dat we net gehad hadden, naar bed sturen. Joris, die na de stomp in zijn maag op de kant was gekropen keek ons kwaad aan en genoot van Peters’ woede. Karel en ik zetten ons aan de peddels en roeide terug naar de weide. Peters tierend naast ons, maar dan op de kant. We meerden aan en begaven ons zonder iets te zeggen naar de tent. Karel lachte kort; “Heb je gezien wie er allemaal aan zijn kant stond?”
Ik haalde mijn schouders op: “Niet echt op gelet.”
“Op dat vlot zat 5 man,” Mengde Gino zich. “Piet, Kim, Joran, Wannes en Joris. Voor de rest had ik niet de indruk dat er op de andere vloten mensen zaten die aan Joris’ kant staan, anders hadden ze zich wel gemoeid.”
“Die je trouwens mooi te pakken hebt genomen, Timo.” Lachte Karel
“Ik moet bekennen dat hoe jij Piet wist te bewerken ook wel knap was hoor, Karel.”
“Die gozer verdiende dat. Moest hij Kyara maar met rust laten, de eikel.”
Ik fronste.
“Jij vindt Kyara wel erg leuk hé, Karel?” Merkte ik op. Karel kreeg een kleur en keek weg.
“Ik ga pitten.” Antwoordde hij.

10. Nachtelijk avontuur

Ik denk da het midden in de nacht was toen Karel me wekte.
“Stil!” Beval hij, “Hoor je dat?”
Ik luisterde geconcentreerd en hoorde gekraak in de richting van het riviertje. Nieuwsgierig keek ik Karel aan.
“Joris en zijn kornuiten.” Verhelderde hij. “Ze zijn ons vlot aan het “saboteren”. Ik denk dat ze een gat in de vaten zijn aan het boren. Nujah, we weten het, hun plannetje is dus mislukt.”
Ik lachte.
“Dit kan nog wel leuk worden…”

11. Cupido

Het was 6 uur toen Peters ons met veel show wakker kwam maken.
“Karel, Gino, Timothy, uit jullie slaapzakken! Jullie mogen gaan helpen met klaarmaken. Geen geintjes of er zwaait wat!”
Met de slaap nog in onze ogen krabbelde we overeind. Snel trok ik een Trainingsbroek aan en het eerste het beste T-shirt dat ik te pakken kreeg. Als 3 dronken kerels strompelde we de tent uit, vielen we over onze tentgenoten en kwamen lachend aan bij de leerkrachten.
“Hopeloos.” Zuchtte Peters.
Mevrouw Geraards was gelukkig niet kwaad op ons en gaf ons snel de instructies. We moesten de rollen touw, de kaarten en nog een hele boel ander materiaal naar de vlotten sleuren en zorgen dat ze daaronder verdeeld werden. We zouden vandaag aan een race doen , verraadde ze, en die dingen moesten we meenemen om de race tot een goed einde te brengen. Joris die ook net uit zijn tent kwam lachte vals toen hij ons al die dingen op zag laden. Hij moest eens weten dat we zijn plannetje vannacht hadden verijdeld. Een half uurtje later was iedereen wakker en bezig met zijn of haar ontbijt. Wij zaten met z’n zevenen gezellig aan het water, pootjebadend. Karel vertelde trots aan de meisjes hoe we gisteravond Joris en zijn compagnie hadden laten voelen dat wij ook van ons af konden bijten, en de manier waarop hij Piet te grazen had genomen vertelde hij tot in de kleinste details. Ik merkte hoe hij daarbij steeds in Kyara’s richting keek, en mijn vermoeden van de avond ervoor werd steeds groter. Toen Karel uitgepraat was viel Kyara hem om de hals terwijl ze hem lachend “haar held” noemde. Karel straalde, en ik porde hem aan.
“Waar wacht je op?”
Hij keek me even schaapachtig aan, en ik knikte in Kyara’s richting. Hij lachte flauwtjes en begon weer als een gek te blozen. Ik bulderde van het lachen en enkel Karel wist wat ik zo grappig vond. Ik rolde over de grond en Karel gaf me nog snel een duwtje. Ik viel met een luide plons in het riviertje. Nu lachte Karel ook en hij dook me sierlijk achterna. Nog geen tien tellen later sprongen Gino en enkele andere ons achterna waarmee de stilte die er eerst over het kamp hing verdwenen was. Er werd gespetterd, gezwommen, geworsteld,… de dag was met de nodige portie plezier ingezet. Zodra ik het beu was klom ik aan de kant en liet ik me neerploffen op het gras. Het late zomerzonnetje scheen nog warm en ik genoot er van. Kyara liet zich wat later naast me vallen zonder iets te zeggen. Ik trok een plukje gras uit en strooide dat over haar gezicht. Ze blies het van zich af en keek me even streng aan.
“Timothy,” Begon ze stil “jij en Karel kunnen het goed met elkaar vinden, toch?”
Ik keek haar aan en knikte kort.
“Praten jullie nooit over, euhm, njah, praat hij soms over meisjes?”
“Ach, je weet hoe dat gaat.” Antwoordde ik. “Er wordt weleens gelachen en geroddeld, natuurlijk. Hoezo?”
“Weet je of hij een vriendin heeft?”
Ik lachte.
“Dat heeft hij niet nee. Er is maar een meisje waar hij zijn mond niet over kan houden.”
Ik keek haar plagend aan en ze zuchtte.
“Jij, Kyara”
Ze begon te blozen, rood als een tomaat en ik bulderde het weer uit. Ik had de laatste paar dagen zoveel ontdekt, en nu zag het er toch erg naar uit dat Kyara Karel even hard zag zitten als hij haar.
“Praat vanavond eens met hem, wij geven jullie wel rugdekking.”
De rest was ondertussen ook uit het water aan het komen. Mvr. Geraards maakte daar dankbaar gebruik van en riep dat iedereen zich klaar moest maken voor de dag-activiteit.

Re: [Verhaal]De Roze Ridder

Geplaatst: 02 jul 2010 09:50
door Stiko
12. De race

Zodra iedereen droog, gepakt en gezakt, klaar stond bij de vloten, begon mevrouw Geraards aan haar uitleg. Vandaag zouden we een race doen, groep tegen groep. Met de vloten zouden we eerst de rivier afvaren. Zodra we “op locatie” zouden zijn zouden we de vlotten vast moeten leggen met een slot. Iedere groep moest dan opdrachtjes vervullen en zo de code van zijn slot te weten komen.
“Wie als eerste zijn code heeft en terug zou zijn op de weide wint.” Besloot ze haar uitleg. Snel werden alle vloten te water gelaten en zo vertrokken we stroomafwaarts. De tocht begon jammer genoeg niet zo goed voor Joris en zijn vrienden. Hij keek nogal verbaasd op toen hij ontdekte dat de vaten die hij gisternacht lek had gestoken onder zijn eigen vlot waren gemonteerd. Karel, Gino en ik hielden ons van de domme, maar Peters kon het toch niet laten nog een scheldkanonnade op ons af te vuren. Zodra dit technisch defect was opgelost begonnen we aan onze tocht. De locatie van de “race” was een stuk dicht dennenbos afgewisseld met enkele open heides in de buurt van een oud kasteel. Aan een brug legde we de vloten vast en moesten we een 20 minuten wachten zodat de leerkrachten zich konden verspreiden met de opdrachten. Deze waren op onze kaarten gemarkeerd. Gino en Karel, als vrolijke scouts, glimlachte al binnensmonds; dit zou voor hen, en dus voor ons, weer een eitje worden. Na 20 minuten weerklonk het geluid van een voetbaltoeter en begon iedereen aan de race. We schoten weg achter Gino aan die het kompas vast had. 5 Minuten later vonden we Mr. Janssen met de eerste opdracht. Hij las ons een raadsel voor;
“Welk dier loopt als het jong is op 4 poten, daarna op 2 en als het oud is op 3?”
Verbaasd keken we elkaar aan en zuchtte we eens diep. Plots lachte Kyara;
“Het is een mens, niet?”
Mr. Janssen knikte en gaf ons een envelop. Snel maakte we het open en een 5 viel er uit.
Ik stopte het briefje weg en we zetten het op een lopen om snel naar de volgende opdracht te geraken. Karel en Gino sprintte voorop en wij volgde als jonge eendjes.
“Hoe wist je dat het een mens was? “ Riep Karel naar Kyara.
“Mijn grootvader houdt erg van raadseltjes. Eentje dat hij wel vaker vertelde was het raadsel van de sfinx. Ik wist dat ik het kende, maar kon niet dadelijk op het antwoord komen.”
“Het is je toch mooi gelukt,” Prees ik “anders stonden we daar nu nog.”
Na nog eens 5minuutjes hollen kwamen we bij de volgende opdracht aan. Mvr. Geraards stond ons op te wachten aan de volgende opdracht, “Welke je enkel door samenwerking tot een goed einde kon brengen.”
Een zware houten kist stond aan onze kant van het veldje, aan de andere kant de sleutel. Probleem was dat je de sleutel niet bij de kist kon brengen, maar de kist wel bij de sleutel. Een hindernisparcours en het gewicht van de kist waren voorzien om die 2 ook uit elkaar te houden. We hezen de kist van de grond en begonnen aan het parcours. Een muur. De kist moest een muur van zeker 2.5 meter over. Hoe konden we dat aanpakken? Jessica, Kristen en Karel klommen als eerste de muur over, Gino en Caroline volgde en zette zich er dan bovenaan op. Kyara en ik bleven achter en zouden de kist aan Gino en Caroline aangeven. Kyara is een roeister, dus ze had wel kracht en met z’n tweetjes kregen we de kist nog vrij vlot tot bij Gino en Caroline. Karel had het echter iets moeilijker om de kist aan te nemen. Jessica en Kristen waren niet echt sportief ingesteld en voor hen woog de kist als lood. Het lukte hen wonder boven wonder toch, en met heel wat geworstel en gestuntel wisten we de kist toch bij de sleutel te krijgen. Een 3 was het cijfer dat we in onze kist vonden, en zo konden we dan weer snel verder. De andere 3 opdrachten verliepen zonder al te veel moeilijkheden en tegen 2 uur in de middag kwamen we als eerste bij de vloten aan. We waren verbaasd dat geen van de anderen al klaar was, en met hoop op de overwinning prutste we ons slot open. We sprongen aan boord en begonnen vrolijk te roeien. Kyara zette een liedje in en al snel zongen we alle zeven uit volle borst mee. Iets te luid, want we hadden Joris niet horen naderen.
“Daar heb je ze!” Hoorden we plots. Verbaasd keken we om en zagen hoe Joris en zijn Kornuiten vanuit de bocht tevoorschijn kwamen. “Pedellen jongens, iemand moet nog een lesje krijgen vandaag.”
Ik keek de andere kort aan en als één man begonnen we weer te roeien. Zwetend en puffend schoten we vooruit en wisten we een hele poos voorpo te blijven hangen, maar langzaam maar zeker geraakte we toch vermoeid en liep Joris op ons in.
“Roze Ridder!” Riep Joris koud, “Peters is er nu niet… Niemand kan ons nu tegenhouden…”
“Vergeet je niet dat Peters ons heeft moeten tegenhouden, Joris? Jullie beten in het stof, weet je nog?” Riep ik terug.
Hij schudde zijn hoofd en greep een peddel. In tegenstelling van wat ik verwacht had liep het niet uit op een zeeslag zoals vorige avond, maar werd het een echte race. Joris zijn “bemanning” peddelde zo snel ze konden, maar ook wij gingen met hernieuwde energie aan het roeien. Nek aan nek racete we verder, het was een strijd met gelijke wapens; eerlijk. Er werd niet gescholden, amper gevloekt… Het ging om het winnen, de morele klap. Het liep gelijk op, maar beetje bij beetje verwijderde onze vloten zich toch van elkaar. Joris kwam weer achter ons te hangen; ons grote aantal werkte in ons voordeel. Ritmisch staken we onze peddels in het water en schoten steeds sneller vooruit. Deze overwinning was voor ons: 2-0.


13. Liefde in de lucht


Voor onze overwinning hadden we allemaal een stuk chocolade gekregen, kinderachtig, maar het gebaar telde wel. Peters had ze ons met enige tegenzin maar ook positieve verbazing overhandigd toen we ruim 5 minuten voor Joris terug ons veldje op waren gelopen. Die namiddag hadden we verder vrij gekregen, wat gezwommen en daarna met de vloten nog een tochtje gemaakt. We hadden ons nog prima vermaakt. Zodra het begon te schemeren werd er door mevrouw Geraards en meneer Janssen een podium in elkaar geflanst, voor de avondactiviteit. Iedereen mocht vrijblijvend iets komen voorbrengen, een liedje zingen, een dansje doen,… zolang het maar iets met cultuur te maken had.
Kristen besloot een stukje uit een boek voor te lezen, en ik zou een gedicht voorbrengen. Zodra het donker werd en er verschillende kampvuren aan werden gestoken begonnen de voordrachten. Kristen las een stuk voor uit het uur nul, en ik denk dat iedereen helemaal meegesleept werd. Ze las zo mooi voor, alsof ze het zelf meemaakte. Na Kristen stond ik op en nam plaats op het podium. Ik keek rond en bleef toen met mijn ogen op iemand rusten. Ik schraapte mijn keel en begon;
“Het gedicht dat ik graag zou brengen vanavond heet “De jongen in mij” en gaat er over dat je niet bij de pakken mag blijven neerzitten en altijd verder moet gaan. Als je er niet van sterft, wordt je er alleen maar sterker van, zoals mijn vader altijd zegt.

De jongen in mij
De jongen in mij wist je te breken,
richtte je ten gronde en maakte je koud,
maar uit de assen herrijst de feniks,
al draagt die meer littekens,wijsheid, dan goud.
De jongen in mij wist je te breken,
maar daardoor schiep je toen deze man,
die niet bang is van al jouw woorden,
die door ervaring alles kan.
De jongen in mij wist je te breken,
Maar wie je toen schiep,- dat is een rots,
welke kracht put uit al wat ie kende,
en vechten zal voor zijn eer en trots
.”

Joris zat aan de andere kant van een vuur en schudde het hoofd. Ik had hem strak aangekeken en ook hij keek me nog steeds strak aan. Het was doodstil toen ik uitgesproken was maar ik zag niet wat ik wilde zien. Joris gaf geen krimp, hij wilde de boodschap niet begrijpen. Ik verliet het podium en mevrouw Geraards nam mijn plaats in.
“Ook ik zou een gedichtje willen brengen vanavond,” Ratelde ze. Ik luisterde niet, had geen zin. Ik liep tussen de kampvuren door en zette me bij Karel, Kyara, Kristen en Jessica. “Mooi.” Mompelde Karel toen ik neerzat. “Jammer dat de boodschap niet bij iedereen overkwam.”
Ik haalde mijn schouders op, het gaf niet meer.

Nog een hele poos zouden onze medeleerlingen en leerkrachten hun stukjes brengen. Kyara stootte Karel aan en vroeg of hij geen zin had in een kleine wandeling. Karel sprong op en ook Jessica en Kirsten maakten aanstalten om op te staan. Ik hield de laatste 2 echter snel met een smoesje tegen en zo kregen Karel en Kyara wat privacy. Wij maakte het ons gezellig en verbroederde nog wat bij het kampvuur. Één voor één bespraken we onze mannelijke klasgenoten en besloten met hen een score te geven. Luchtig en met heel wat gelach gaven we ze allemaal een score, tot we bij Joris kwamen. Het werd stil en we staarden alle drie in het vuur, onze woorden voorzichtig plannend.
Kirsten was de eerste die met een zucht haar verhaal begon.
“Ik weet dat Joris een eikel is,” Begon ze, “maar ik vind het moeilijk om enkel slecht over hem te spreken.”
“Ja,” Viel Jessica haar bij, “die keer dat jij afwezig was, bijvoorbeeld, was hij erg vriendelijk tegen ons.”
Ik zweeg. Natuurlijk wist ik dat. Jarenlang waren Joris en ik 2 handen op één buik geweest, vrienden. Ik kende zijn mooie kantjes als geen ander, ik wist hoeveel plezier je met hem kon maken, hoe hij stil kon luisteren en altijd eerlijk zijn mening gaf.
“Joris is zeker geen slechte kerel.” Kon ik nog uitbrengen.
Kirsten keek me aan, en dan vluchtig in de richting van Joris.
“En,” Fluisterde ze, “Hij is ook nog eens zo vreselijk knap!”
Ik knikte en volgde Kirsten haar blik. Joris zijn lange bruine haar, waarvan steeds een lok voor zijn ogen viel, zijn smaragdgroene ogen, zijn vuurrode lippen,…, hij was zeker geen onaangename verschijning.
“Het enige probleem met Joris,” Mompelde ik terwijl ik nog steeds zijn richting uitkeek, “is dat hij het niet snapt, hij is gewoon bang, denk ik.”
Kirsten en Jessica keken me niet-begrijpend aan en ik kon het hen niet beter uitleggen. Het was een gevoel dat ik bij hem had; hij leek het wel te snappen maar was gewoon bang om het te aanvaardden. We staarden in het vuur en droomden weg, ieders met een hoofd vol vragen.

Een tiental minuten later schoot Kristen overeind.
‘Hé, wat is dat nou?” Kirde ze.
Ik draaide me om en volgde haar blik. Karel en Kyara kwamen terug onze richting uitgewandeld, hand in hand.
“Hoe romantisch.” Zuchtte Jessica.
Karel en Kyara bloosden toen ze terug bij ons kwamen zitten. Wat ze eigenlijk niet hoefden te doen; ze hadden alleen oog voor elkaar.

14. De laatste dag, deel 1

Vrijdagochtend werden we met de gewoonlijke “vriendelijkheid” van meneer Peters uit onze tenten gejaagd. Het was onze laatste dag in deze streek, en daar moesten we dus van genieten. Mevrouw Geraards had het er met haar collega’s over gehad en besloten dat we vandaag geen activiteiten zouden doen, iedereen was vrij om er een gezellige dag van te maken. Kirsten, Jessica, Karel, Kyara en ik besloten om nog een tochtje met het vlot te maken in de namiddag, en ons eerst nog wat in de buurt te vermaken. Karel en Kyara waren onafscheidelijk en het deed ons allemaal goed om hen zo verliefd te zien. Met z’n vijven slenterden we in de richting van het riviertje en zetten we ons neer op de oever. Ik trok snel mijn T-shirt en schort uit en dook het water in. Het was heerlijk. Kirsten en Jessica volgden snel, Karel even later ook. Kyara meende een verkoudheid op te voelen komen, en besloot om het zo droog mogelijk te houden. Wat al bij al best moeilijk was, want we spetterden als een bende kleuters rond in het water. Karel en ik geraakte al snel verwikkeld in een worstelpartij terwijl de meisjes ons aanmoedigden. Kyara moedigde Karel aan en dat gaf hem vleugels. Snel veegde hij mijn been weg en hield me enkele tellen onder water. Ik proestte het uit toen ik weer boven kwam en sprong op Karel’s rug. Deze had dat echter aan zien komen en wierp zich achteruit in het water. Voor de 2de keer in een minuut tijd ging ik kopje onder en nam ik een goede borrel binnen. Als een verdronken kip kroop ik aan de kant om op adem te komen. Karel amuseerde zich kostelijk.
“Kan je niet tegen wat water, Timothy?” Schaterde hij.
Dat liet ik me niet zeggen en als een bezetene sprong ik weer het water in en joeg ik achter Karel aan. Deze was veel sportiever dan ik, en het mag gezegd worden, hem bijhouden was altijd een moeilijke zaak. Ook nu weer, ondanks dat ik alles op alles zette om hem te pakken te krijgen, beet ik in het stof. Met mijn tong bijna op de grond zette ik een laatste sprintje in en haalde ik Karel toch in. Met alles wat ik nog in me had sprong ik bovenop hem en begon het geworstel opnieuw. Hij liet me winnen, geloof ik, want zonder te veel moeite kreeg ik hem enkele malen onder. Uitgeput hezen we ons daarna op de kant en lieten we ons neerploffen in het gras. De zon scheen heerlijk en in een mum van tijd waren we weer droog.
Kirsten keek op haar horloge en kondigde aan dat het bijna middag was. Karel en ik sprongen overeind en gingen bij de leraren brood en beleg halen. Mr. Peters was om de een of andere reden nog steeds kwaad op ons, dus deze meden we zoveel mogelijk. Het was me de voorbije week steeds meer op gaan vallen dat hij Joris graag had, en hem voortrok. Gelukkig was Mvr. Geraards er nog, en Mr. Janssen. Met hen kwam ook ik goed overeen, en wanneer Peters weer eens de brulaap uithing, wisten zij de gemoederen steeds te bedaren. Het was echt een meevaller dat zij, anders dan Peters, geen probleem maakte van hoe ik was, en de problemen die dat veroorzaakten met engelengeduld op probeerden te lossen. Ik schrok er dan ook niet zozeer van toen Mr. Janssen zich wat later naast ons neerzette in het gras en met ons de lunch nuttigde.
“En mannen,” Vroeg hij na een tijdje, “beviel het wat, deze week?”
Ik keek eventjes de cirkel rond en knikte.
“Wij hebben elkaar deze week nog beter leren kennen en zijn meer naar elkaar toegegroeid. Ik vond het dus wel de moeite waard.”
Karel en Kyara kropen wat dichter tegen elkaar aan en Jessica antwoordde dat ook zij van deze week genoten had.
“Ja, jullie hebben elkaar blijkbaar wel gevonden. Het is mooi dat jullie zo goed met elkaar opschieten, dat is voor mij en mevrouw Geraards ook een hele opluchting.”
“Hoezo? Een opluchting?” Vroeg Kyara nieuwsgierig.
“We maakten ons wat zorgen over jullie. Het valt ons al een hele tijd op dat het niet altijd klikt tussen jullie en de rest van de klas. Zeker met wat we weten van jou, Timothy, en wat we hebben vernomen via je vorige school, waren we bang dat de dingen weleens zouden kunnen mislopen…”
Ik keek meneer Janssen geschrokken aan. Wisten hij en mevrouw Geraards wat er op St. Andries gebeurd was?

15. “Alle wegen splitsen ergens”

Beneden ging de bel. Ik sprintte de trap af en trok vrolijk de deur open.
“Hey Joris!” Begroette ik mijn bezoeker.
“Timo.” knikte hij kort.
Hij volgde me naar binnen, hij kende de weg.
“Mag ik iets te drinken nemen?” Kroeg Joris zodra we ons in de living hadden geïnstalleerd.
“Je weet de koelkast staan.” Antwoordde ik. Hij stond op en liep naar de keuken. Ik hoorde hem wat rommelen.
“Aha, je hebt de ijsthee al koud gezet!” Riep hij prijzend.
Ik haalde mijn schoolboeken boven en spreidde ze uit over de tafel. Joris kwam met zijn ijsthee in de hand de kamer binnen en keek me zuchtend aan.
“Moet dat nu echt onmiddellijk gebeuren? Kunnen we niet eerst wat, rustig, ontspannen iets anders doen?”
Ik lachte.
“Dat ken ik ondertussen al wel… We hebben geen weken meer hé, Joris! Dat groepswerk moet deze vrijdag, overmorgen dus, afgegeven worden. Vandaag is de laatste dag dat we er echt iets voor kunnen doen, morgenavond heb ik geen tijd, en jij ook niet. We gaan dat dus eerst maken, daarna zien we wel weer.”
Hij draaide met zijn ogen en zuchtte nog eens. Ik keek hem streng aan en een flauw lachje tekende zich af op zijn lippen. Hij gaf zich gewonnen en zette zich op de stoel naast me neer.
“Goed, wat is het net dat ze van ons verwachtten?”
Nu was het mijn beurt om te zuchtten.
“Zeg alsjeblieft dat je dat opgavenblad op zijn minst al vast hebt gehad.”
Joris keek schuldbewust naar zijn schoenen en ik zuchtte nog eens diep.
“Kijk,” Begon ik mijn uitleg, het is de bedoeling dat…”

2 Uur noeste arbeid later plofte Joris en ik neer in de zetel. Ons groepswerk lag netjes gebundeld op de tafel en we vonden dat we wel wat ontspanning verdienden. Joris greep de afstandsbediening en zette de tv aan.
“Er is hier echt niets te zien!” Vloekte Joris zodra hij alle kanalen was afgegaan.
Ik haalde m’n schouders op. Op dat ogenblik hoorde ik hoe een sleutel in het deurslot werd gestoken. Ik keek op de klok en besefte dat dat mijn moeder moest zijn. Moeder keek niet raar op toen ze Joris in de zetel bemerkte. Hij zat hier zo vaak, was niets raar aan. Na het gewoonlijke bijpraten trokken Joris en ik naar mijn kamer. Joris zette snel de computer op en mompelde:
“Als er op de televisie niets te zien is, dan valt er op het internet altijd wel iets te beleven .”
Eerst hield hij het nog vrij netjes, filmpjes van mensen die vielen, ergens tegen liepen, verborgen camera,… maar na ongeveer een half uurtje besloot Joris dat er wel iets interessanter mocht. Ik had het pas door toen hij al op zo’n site zat.
“Joris!” riep ik Berispend, “Sluit dat nu, meteen, onmiddellijk, direct, ogenblikkelijk af!”
Hij keek me lachend aan.
“Vies van wat vrouwelijk schoon?”
Ik zuchtte.
“Misschien dat we het daar beter even over kunnen hebben, Joris…” Antwoordde ik kort.

Het was niet mijn bedoeling geweest om het daar met hem over te hebben, nu, maar het was er uit voor ik er zelf erg in had. Joris keek me een ogenblik verbaasd aan, sloot die site af en draaide zich met stoel en al naar me om. Ik zette me neer op mijn bed en keek hem strak aan.
“Kijk Joris, je weet dat Jennifer vorige week heeft verteld dat ze al een poosje verliefd op me is?”
Joris knikte.
“En dat jij, gek die je bent, haar hebt afgewezen weet ik ook.” Antwoordde hij.
“Ik had zo mijn redenen om haar af te wijzen.”
Het was eventjes stil.
“Jennifer is een toffe meid hé, dat is het echt niet… en het ligt ook niet aan haar. Het is gewoon, ik voel mij totaal niet aangetrokken tot meisjes.”
Joris keek me strak aan.
“Je gaat me nu toch niet zeggen dat je een flikker bent?” Vroeg hij, haperend.
Ik knikte. Joris schudde het hoofd en stond op. Hij deed de deur open en stormde de trap af.
“Joris!” riep ik nog, maar hij was al de deur uit. Moeder kwam enkele tellen later al naar boven en stak haar hoofd de kamer binnen.
“Wat…?” Ze zweeg toen ze mijn gezicht zag.
“Ik heb het hem vertelt, Mam.” Zuchtte ik. Ik moest vechten tegen de tranen. Hoe kon een vriend nu zo reageren? Ze kwam naast me op bed zitten en drukte me stevig tegen zich aan.
“Het komt wel goed Timothy,” Mompelde ze, “hij draait wel bij.”

16. Geroezemoes

Met mijn hart in mijn schoenen wandelende ik de speelplaats op. De oude gebouwen van St. Andries leken voor het eerst dit jaar echt oud. Ze hadden niets meer van hun charme, het waren gewoon stenen. Niets meer, niets minder. Ik keek rond, zoekend naar Joris of iemand anders waar ik normaal mee rondhing. Ze waren er niet. “Ons” plekje op de speelplaats, de bank tegen de A-blok was leeg. Ik keek op mijn horloge, was ik misschien vroeger dan normaal? 5 voor half…, nee, dat kon niet. Ik liep naar het bankje en zette me er op neer. Ik speurde tevergeefs de speelplaats af, maar nergens zag ik een spoor van Joris. Toen het belde slenterde ik naar de rij. Joris, Pieter en Rik waren er plots ook. De laatste 2 kwamen snel bij me staan.
“Wat heeft die?” Vroeg rik terwijl hij in Joris’ richting keek.
“Geen flauw idee, hoezo?” Was mijn antwoord.
“Hij wilde vanochtend niet naar het bankje gaan, is ineens in de rij gaan staan, en hij wilt blijkbaar ook niets meer met je te maken hebben…”
“Tjah…” Zuchtte ik.
De hele voormiddag was de sfeer in de klas gespannen. Niemand snapte waarom Joris en ik, het onafscheidelijke duo, niet met elkaar sprak. Ze fluisterden, ze roddelden, de een had gehoord dat het zus zat, de ander weer iets totaal anders, het bleef bij speculaties. Helemaal gek werd het toen ik me tijdens de middag niet bij Joris, Pieter en Rik zette. Niemand snapte het. Verschillende keren kwamen ze bij mij om meer uitleg vragen, maar ik zei geen woord. Tegen het einde van de speeltijd kreeg het geroezemoes iets dreigend. Het leek of ze het wisten, plots was er vijandigheid. Ik wist niet wat me overkwam; zelfs de mensen die ik hielp met hun probleemvakken keerden zich tegen mij. Vriendschap, wederzijds vertrouwen, alles dat met veel moeite was opgebouwd, het betekende niets meer. Plots was ik een Paria, iemand uit de laagste klasse, onaanraakbaar, omdat dat een onreine daad zou zijn voor hen. Ik schrok. Dit kon toch niet zomaar? Ik was gewoon anders, had geen gevaarlijke ziekte, en toch dwongen ze me in een quarantaine. Als ze een vliegtuig hadden gehad, of een boot, hadden ze me naar Molokai afgevoerd… Het idee deed me huiveren; ik voelde me verraden en bedrogen, in de steek gelaten en gekwetst. Ik kon niet hier blijven… Ik ging naar het secretariaat en vroeg om naar huis te mogen bellen. Even later stond moeder er om me op te halen.
“Wacht jij hier even?” Vroeg ze aan me terwijl ze zich tot de man achter de balie richtte. Ik zette me neer op een stoel en sloot mijn ogen. Moeder vroeg om met onze klastitularis te kunnen spreken, of met een leerlingbegeleider. Ze moest blijkbaar zelf haar verhaal ook eens kunnen doen. Een kwartier later kwam ze, kwaad, het lokaal van de groene leerkracht buiten. Ze legde haar arm om mijn schouder en voerde me mee naar buiten. Zwijgend liepen we naar de auto, zwijgend reden we naar huis. Ik staarde door de raam naar buiten, naar het voorbij zoevende landschap, maar merkte toch op hoe mams meermaals bezorgd in mijn richting gluurde. Ik voelde me zo klein. Alleen, ondanks dat mijn moeder het voor me op had genomen en als een leeuwin haar welp had verdedigd bij de groene leerkracht… Iets dat ze jammer genoeg nog meermaals zou moeten doen. Zodra we thuis waren sprintte ik de trap op, naar mijn kamer. Ik deed de deur dicht en zette de radio volledig open. Ik mocht mezelf niet horen denken. Ondanks de luide muziek voelde ik mijn oogleden zwaar worden, langzaam viel ik in slaap, het geroezemoes verstomde.

17. Versterking

Zodra ik mijn ogen open deed merkte ik dat het al later op de dag was. Ik keek versuft rond en bemerkte dat ik mijn kleren nog aan had. Ik dacht na. Juist ja, gisteren… Ik trok de dekens weer hoog op en kroop er onder. Het voelde warm aan, veilig ook. Ik luisterde. Het leek of het huis leeg was, dat ik alleen was. Ik taste rond naar mijn gsm, die wel ergens op bed zou liggen, waar ik hem gisteravond neer had gegooid. Hij was er niet… Met heel wat moeite zette ik me recht en keek weer de kamer rond. Bureau. Ik stond op en slenterde als een zombie naar mijn bureau toe. Hij lag er op, naast een briefje van Mam.
“Zijn gaan werken, komen vroeger thuis. Hoeft niet naar school. Liefs.”
Ik keek op mijn gsm en zag dat het inderdaad al later was. Bijna half 12. Ik zuchtte.
Moeder was er in geslaagd me vandaag thuis te houden, maar maandag moest ik gewoonweg weer gaan. Ik kon me niet gaan verstoppen. Ik trok sloom iets anders aan, een jogging en een T-shirtje en strompelde de trap af. Op het aanrecht in de keuken stond nog een zak brood en ik nam er een stuk uit. Ik had geen trek en at het dus zonder al te veel smaak op. Het liefst van al was ik terug naar bed gegaan en er nooit meer uitgekomen, zo slecht voelde ik me.
Ik keek naar de computer in de living en twijfelde even. Ik startte hem op en wachtte tot hij klaar was. Ik opende het internet en surfte zonder tijd te willen verliezen naar de site van Wel Jong Niet Hetero. Het forum was al vaker mijn “klaagbalk” geweest, en het was altijd een hele troost om met mensen die in een soortgelijke situatie te zitten te kunnen spreken. Meer dan wie dan ook wisten zij hoe het voelt om anders bekeken te worden, en zij begrepen dan ook mijn twijfel en verbijstering. Er was niet veel volk online, toch liet ik het niet om in de chat een berichtje te plaatsen. Reactie volgde snel.

Om 3 uur kwam moeder thuis. Ze keek me bezorgd aan en lachte flauwtjes.
“Hoe gaat het ermee, lieverd?” Vroeg ze.
Ik haalde mijn schouders op.
“Ik voel me verraden, Mam. Verraden, in de steek gelaten, verslagen zelfs. Wat moet ik nu doen? Ik heb niet eens iets gezegd, niets gedaan, plots was er die vieze blik in hun ogen, die haat, hoe, hoe kunnen ze?”
Moeder zuchtte en schudde haar hoofd.
“Wij zijn er nog voor je, Timothy. En wij niet alleen. Ik heb vandaag met je school gebeld en met je klastitularis gesproken. Hij zei dat als zijn favoriete leerling een Homo is, ze hem voor een klas met enkel Homo’s mogen zetten. Hij ging vandaag met je klas praten, en hen proberen duidelijk te maken dat hun reactie, hoe pietluttig ze volgens die groene leerkracht ook lijkt, niet juist is, dat ze kwetsend is. Misschien lost dat iets op.”
Ik knikte, meneer Jacobs zijn reactie had ik kunnen verwachten, dat hij me zou willen helpen ook.

18. “Erger kan het niet worden”

Het was ongeveer 2 maanden later dat het weer gebeurde. Joris en zijn kornuiten lieten me zo veel ze konden links liggen, maar van tijd tot tijd gebeurde het dat ze dat niet deden. Dat waren momenten waar ik absoluut niet blij mee was, maar ik wapende me er langzaam maar zeker tegen. Ook die vrijdagochtend. Mams zette me aan de schoolpoort af en ik liep nietsvermoedend de speelplaats op. Tot ik hem plots achter me hoorde.
“Ha, roze ridder!” Riep hij. Wanneer ze dat voor het eerst waren gaan roepen weet ik niet meer juist, het was kort nadat meneer Jacobs ze bekrompen idioten had genoemd, geloof ik. Nujah… het deed er niet toe. Ik draaide me om en voelde een harde stomp in mijn maag. Ze waren dichterbij geweest dan ik had verwacht. Ik plooide dubbel en kreeg een onzacht knietje tegen m’n gezicht. Het was voor mij de druppel. Dat ze me niet moesten kon me al lang niet meer schelen, hun geweld van tijd tot tijd, oké, maar nu was de maat voor mij vol. De adrenaline stroomde door mijn lijf en ik sprong terug recht nog voor ze iets konden doen. Met al mijn kracht trapte ik naar de knie die nu weer als een gestrekt been op de grond stond. Ik hoorde een knets, en Rik ging neer. Hij greep naar zijn knie en vloekte;
“Verdomme! Die is uit de kom!”
“Vuile Janet!” Riep Joris woedend terwijl hij op me kwam toegestormd. Ik ontweek hem niet en liet hem gewoon slagen. Zodra hij een tel ophield sloeg ik terug, harder, raker, sneller. Joris hapte naar adem. Met een laatste stoot sloeg ik op zijn neus. Bloed kleefde aan mijn hand. Op dat ogenblik kwam een van de sportleerkrachten de speelplaats opgerend en als de ridder op het witte paard sprong hij tussen Joris en mij in. Onnodig, want ik was niet meer van plan iets te doen.
“Timothy!” Riep een andere leerkracht, “Maak dat je op het secretariaat zit!”
Het kon me allemaal niet meer schelen en dus slenterde ik in de richting van het secretariaat. De groene leerkracht stond me al op te wachten.
“Ah, meneer Driessens,” Grijnsde het stuk ongeluk, “Ben je daar weer voor onze wekelijkse babbel?”
Ik haatte die vent. Als groene leerkracht was hij een vertrouwenspersoon voor de leerlingen, iemand waar we met problemen bij terecht konden. Maar ik was blijkbaar een uitzondering op die regel. Ik moest van hem niet weten en hij niet van mij, dat wisten we beide, maar ik zat in de zwakke positie.
Ik ging zijn kantoor binnen en zette me neer op een stoel. Ik sprak niet met hem, hij moest niet eens iets vragen. Hij deed mij denken aan een worm, nee, een aasgier. Zodra jij dood ging was dat goed, want dan kon hij je als voedsel gebruiken. Ik wachtte tot hij iets zou zeggen, maar hij zweeg. Tot er geklopt werd.
“Daar heb je je moeder.”
Mams kwam het lokaal binnengelopen en keek met evenveel minachting naar die worm als ik deed.
“Ja?” Vroeg ze, korter kon haast niet.
“Erger kan het met deze jongen niet worden, Mevrouw. Wij kunnen als school een signaal geven, maar wat maakt het uit? Hij wordt een week geschorst, maar dat zal, vrees ik, niet helpen. Timothy is gewoon gedragsgestoord.”
Ik ontplofte.
“Jij worm!” Krijste ik, “Vuile bekrompen worm! Weet jij wel wat je zegt? Ik ben hier verdomme het probleem niet, en dat weet je verdomme goed genoeg!”
Hij keek me aan, wetende dat ik hem toch niets kon maken. Ik liep het lokaal uit, maar niet zonder mijn minachting nog eens te tonen. Ik spuugde vol overtuiging in zijn dwaze Tiroolse hoedje met bijpassende veer.
Moeder rende achter me aan.
“Hij weet niet wat hij zegt, Timothy, hier laat ik het niet bij.”

De schorsing was nog het ergste. Ik had met geen enkele leerkracht een probleem, met de leerlingen wel, maar toch krijg ik die vervloekte uitsluiting. Een hele week zat ik op het secretariaat, belachelijke taakjes op te lossen. Ik verdacht de worm ervan deze speciaal voor mij opgesteld te hebben, maar ik liet het niet aan mijn hart komen. Kon het mij wat schelen dat de taakjes over gedragsstoornissen en psychoses ging? Dat had voor mij geen belang. Thuis was de sfeer ook gespannen. Moeder en Vader begrepen mijn standpunt, mijn probleem, en stonden achter me. Maar vader vond dat ik over reageerde, te veel inging op belachelijke dingen en me meer op school moest focussen. Moeder stond naast me in dit “gevecht”. Maar of het hielp… Ik kon geen systeem bevechten als iemand die me zou moeten helpen, die kruiperige groene leerkracht, pal tegenover me stond en er alles aan deed om me te kleineren. Ik kon doen wat ik wilde, me voorbeeldig gedragen en de Primus van de klas zijn, voor hem maakte het niet uit; ik was het probleem en ik had geen recht van spreken. Toen de schorsing afgelopen was en ik terug “gewoon” naar school kon voelde ik me er helemaal niet meer op mijn gemak. Het was ik tegen de rest, een ongelijke strijd. Er was niemand van de leerlingen die me steunde, ik stond er alleen voor. Meneer Jacobs en de vakleerkrachten deden hun best, letten op alles dat ze tegen me konden doen, maar ook zij stonden machteloos. Als het op pesten en discrimineren aankomt zijn jongeren erg creatief. Je voelde als leerkracht dat er iets aan de hand was, je wist wat er aan de hand was, maar je zag niets waar je op kon inspelen. Het was alsof de school ziek was, je de koorts voelde, maar niet kon zeggen welke bacteriën er verantwoordelijk waren. Nee, het was alsof ik een stuifmeelkorrel was waar het verdedigingsmechanisme tegen in gang kwam… De school was allergisch aan mij, aan mensen als ik. En de school niesde, had een druipneus en vocht, maar niets kreeg het onder controle. Erger kon het niet worden.

19. Aan de oevers van de Schelde

De zon scheen. De perfecte dag om buiten door te brengen. Ik greep mijn rugzak, stak er wat granenrepen en een appel in, een flesje Fanta en stak mijn Mp-3 in. Ik liep naar buiten en haalde mijn fiets uit de garage. Ik schoot als een pijl uit een boog weg richting de dijk. Ik had er een plekje waar ik al jaren kwam. Een brug was op die plek over de schelde gebouwd, en daardoor had je er een kleine landtong, een stukje land dat langs 3 kanten door het water werd omringd. Er stond een oude stoel die ik er eerder eens naartoe had gezeuld en een stalen vat waar we s’ avonds een vuur in konden maken. Nujah, vroeger konden we dat. Nu kan ik het…
Het was nog rustig op het water. Een zwaar geladen vrachtschip vaarde een heel eind verder, voor de rest was er nog niets te zien. Ik ploft me neer in m’n stoel en sloot mijn ogen. Het water kabbelde zachtjes en dat bracht een zekere rust over me. Mijn gedachten dwaalde af, ik was niet waar ik was. Het gekrijs van meeuwen bracht me een hele poos later terug. Ik keek op mijn horloge en ontdekte dat ik maar beter iets kon eten. Een woonboot vaarde voorbij, 2 kinderen wuifden. Ik wuifde terug. De oudste van de 2 stak zijn tong uit. Ik lachte. Kwajongens. Ik heb hier ook zo gezeten, gebaren makend naar passerende boten, roepend naar anderstalige schippers… vroeger, toen ik nog iets minder zorgelijk was. Zorgelijk, depressief. Het oordeel van CLB-idioten. Natuurlijk was ik zorgelijk, depressief, of wat nog allemaal. Ik had een probleem en niemand van hen was bereid om me te helpen… Niemand kón me helpen. Ik zuchtte diep en keek naar het bruine water… Het was koud, vuil, diep… Maar het was ook rustig,vredig… Een vreemde roes maakte zich van me meester, en ik liep naar de rand.
Het water kletste tegen de oever, steeds sneller leek het. Gehypnotiseerd keek ik naar het water. Ik sloot mijn ogen en liet me met een plons voorover vallen. Het water was echt smerig, het was echt koud. Eerst watertrappelde ik, maar langzaamaan verminderde de inspanning die ik wilde leveren. Ik had geen zin meer om te vechten. Noch op school, noch hier. Het had namelijk geen zin, al dat vechten. Ik vocht een strijd die niet geleverd kon worden. Het water slokte me op, alles werd zwart.

20. Kwakzalvers en Zielenknijpers

“Piep, piep, piep” Ik ergerde me aan de geluiden rondom me. Gepiep, gezoem, gemompel, gesnik,… Gesnik? Ik luisterde aandachtiger. Gesnik en Gemompel. Geen engelenkoor dat me welkom heette in het hiernamaals, enkel gesnik en gemompel. Wat was er misgelopen? Stuurden ze me nu toch naar de onderwereld? Er klopte iets niet… Ik was niet…, ik was niet dood! Hoe kon dit? Ik dacht diep na… Het water, ik was erin gesprongen. Ik was weggezonken, ik had water binnengekregen en het was zwart geworden. En nu was ik niet dood? Het gepiep hield aan, het gezoem hield aan, en ook het gesnik en gemompel ging gewoon door. Boos en verbaasd opende ik mijn ogen. Een grijs-witte kamer, draadjes, darmpjes en piepende machines. Dit was niet het hiernamaals, dit was een ziekenhuis.
“Timothy?” Klonk een vertrouwde stem ergens naast mijn hoofd. Ik richtte me wat op en keek opzij. Mam…
“Timothy m’n jongen, wat heb je nu gedaan! We waren je bijna kwijt! Hoe kon je mij en je vader dit aandoen!”
“Ik wil niet meer…” Antwoordde ik. “Niet meer vechten, niet meer watertrappellen… Ik wil niet meer.” Ik liet me terug wegzakken op het kussen en sloot mijn ogen. Moeder zette zich rechter in haar stoel en nam mijn hand vast.
“Je bent niet alleen, Timo… Wij zijn er voor je, vergeet dat nooit.”

Iemand schudde aan mijn arm.
“Wakker worden, jongeman.” Bulderde een stem. Ik trok mijn ogen open en keek recht in de ogen van dokter Bruins. Een oudere arts, een jaar of 60 schatte ik, maar nog niet grijzend of kalend. Een ouderwetse bril preek op zijn neus en door de glazen keek hij me strak aan.
“Hoe voelen we ons vandaag?” Ging hij rustig verder, “Al wat beter?”
Ik zuchtte. “Nee. Nog steeds moe en verslagen.”
“Dat je nog moe bent, kan ik begrijpen. Je hebt voor je leven moeten vechten, jongeman. Als die fietser 5 minuten later had geweest, dan had je hier nu niet gelegen.”
Was die maar later geweest, dacht ik, dan had dit nu allemaal niet gemoeten.
“We hebben je longen moeten leegpompen, daar zal je nog een tijd last van hebben ben ik bang.”
Ik haalde mijn schouders op. Last aan m’n longen, Ha! Wat kon dat me nu schelen?
“Goed, alles ziet er verder goed uit.” Mompelde dokter Bruins toen hij me onderzocht had. “Straks komt er nog iemand om met je te praten.” Ik draaide met mijn ogen en plofte weer neer op het bed. Moeder was nergens te bespeuren, Vader ook niet. Naast mijn bed, op het kastje, lag mijn Mp-3. Die had ik vast afgegooid voor ik in het water sprong, toch? Ik haalde hem van het kastje en probeerde of hij nog werkte.
“We're a small crowd left to rotten
There's many answers left
As the pop is growing stronger
Will metal fade away?

Will we be broken?
Will we go down?

No! we'll never fall
We're the masters of the world
Get up! let's break those chains now
And party all night long”

Hij speelde nog. Ik zakte weer weg op het bed en liet me meevoeren door de muziek. Ik merkte het niet eens toen er iemand binnenkwam.
“Dokter van Roosbroeck.” Stelde de man zich luid voor toen ik hem opmerkte. “Psychiater.”
Ik trok mijn wenkbrauwen op en keek de man strak aan.
“U bent hier verkeerd, denk ik.” Was mijn antwoord, en ik legde me weer neer.
“Nee.” Antwoordde hij kort. “Ik ben waar ik moet zijn.”
Hij nam een stoel en zette die pal naast mijn bed.
“Of toch, als jij Timothy Driessen bent?”
“Dan zult u wel juist zijn.” Knikte ik.
“Wel Timothy,” Begon hij, “er is mij gevraagd om eens met jou te komen praten. Het kan niet normaal zijn dat iemand van 16 jaar, in de fleur van zijn leven, probeert er een einde aan te maken. Nu weet ik via je ouders al het een en het ander, maar ik zou er met jou eens over willen praten… Hoe gaat het, op school?”
“Op school…” Mompelde ik “Goed, vermoed ik. Beste scores van de klas, nee, van heel het jaar, best goed dus.”
“En de sfeer, hoe is die? Kom je wat met de mensen overeen?”
Ik grijnsde.
“Ik kom met iedereen overeen, dokter, maar niemand komt met mij overeen. Ze hoeven je niet als je anders bent.”
De dokter knikte instemmend.
“Vertel maar verder.” Sprak hij bemoedigend.
Ik zuchtte diep en begon heel het verhaal te vertellen.
“En dus dacht ik, er is een manier waarop ik niet meer hoef te vechten…” Zo besloot ik heel mijn verhaal. Dokter van Roosbroeck had zwijgzaam geluisterd, af en toe iets genoteerd, en nu zat hij zwijgend naar me te kijken.
“Wel, Timothy,” Mompelde hij, “dat is me wat… ik begrijp perfect dat je op die manier niet verder wil. Ik denk niet dat ik het zo vol zou kunnen houden, of zolang als jij al doet… Maar er zijn andere manieren om dit op te lossen.”
Ik zuchtte.
“Weet u wat we al allemaal geprobeerd hebben, dokter? Er zijn geen andere manieren meer, niet voor mij althans.”
“Er zijn altijd manieren, Timothy… Honderden. Ik zal contact opnemen met jullie CLB en zorgen dat er iemand is met wie je op school kan praten als het je teveel wordt. En aan die groene leerkracht van jullie, moet misschien ook maar eens iets gedaan worden.”
Hij stond op en nam vriendelijk afscheid.
“Het ga je goed, Timothy… Je zal je weg wel vinden. Er is altijd een manier waarop.”
Hij ging de deur uit en verdween tussen de vele verpleegsters en dokters op de gang. Ik bleef verdwaasd achter. Nog manieren?

Re: [Verhaal]De Roze Ridder

Geplaatst: 02 jul 2010 09:52
door Stiko

21. De laatste dag, deel 2


Mr. Janssen keek me vriendelijk aan.
“Het doet ons echt goed om dat te zien, echt waar. Hopelijk blijven jullie elkaar steunen.”
Hij stond op en liep naar mevrouw Geraards.
Het werd stil in de kring. Allemaal keken ze naar mij, niet wetende of ze iets konden vragen, of dat gepast was.
“Het is indertijd uit de hand gelopen.” Begon ik stil. “Het ging me allemaal te boven,het was teveel en ik zag het niet meer zitten… Ik zat aan de schelde en, tjah, ik ben erin gesprongen, niet van plan om mezelf drijvende te houden. Ze hebben me toen gevonden, en, tjah, “gered” om het zo te zeggen.”
Kyara’s mond viel open, Karel keek bezorgd…
“En dat was vorig jaar, op st. Andries?” Vroeg hij
“Maar waarom?” Mengde Jessica zich, “Was het zo erg?”
En keek hen aan en zuchtte.
“Hier sta ik niet alleen.” Antwoordde ik. “Op Andries liet iedereen me stikken toen het uitkwam. Ze trokken op één lijn en keerden zich tegen me… Ik moest vechten tegen mijn medeleerlingen, maar kon niets doen. Ik stond machteloos, en buiten mijn ouders was er niemand die me wilde helpen, die me kon helpen… ik wilde niet meer, niet meer vechten.”
Karel schoof dichterbij en wierp zijn arm om mijn schouder.
“Hier zijn wij er voor jou hé, dat weet je , toch?”
Ik keek hem aan en zag aan zijn ogen dat hij het meende. Jessica, Kirsten en Kyara knikten instemmend.
“Dankje.” Zuchtte ik opgelucht.

22. Thuiskomen

De busrit naar huis was het vermoeiendst geweest. Doodmoe kwamen we terug bij de school aan. Kyara en ik liepen naar het fietsenrek en spande onze tassen achterop. Met een slakkengangetje zette we ons in beweging en reden we huiswaarts.
“Timo?”
Ik keek op en onze blikken kruisten. Ze keek bezorgd, angstig,…
“Ja Kyara?” Antwoordde ik.
“Ik weet niet wat er allemaal gebeurd is op Sint Andries, en ik weet ook niet of jij daar over wil praten… maar mocht je het ooit aan iemand willen vertellen, dan ben ik er voor je hé. Ik zou je niet kwijt willen. We zijn vrienden, en die moeten elkaar helpen.”
Ik zuchtte…
“Wel,” Zuchtte ik “ik heb het daarstraks al gezegd. Ik stond er alleen voor en kon dat niet aan… Ik heb jullie nu, en je gaat niet van mij afgeraken, echt niet. Maak je alsjeblieft niet druk daarover. Ik sta sterker nu, ik weet dat ik niet alleen sta… en ik ben misschien wat gebarsten, hij zal me nooit meer breken. Niemand zal dat doen.”
Kyara zuchtte weer, opgelucht dit maal. Ze hoorde vast wel aan mijn stem dat ik het meende, dat ik me niet zou laten breken.
Het begon zachtjes te regenen.

Ik sliep tot laat in de voormiddag. Ik had die rust wel verdiend, het was een zware week geweest. Ik kleedde me langzaam aan; het voelde goed om eens iets anders dan een trainingsbroek aan te hebben. Ik twijfelde en kleedde me terug uit. In mijn ondergoed liep ik naar de badkamer. Ik draaide de kraan open en liet het bad vollopen met heerlijk warm water. Ik zette me op de rand van het bad en keek hoe het water langzaam steeg. De kamer dampte aan, maar het kon me even niet schelen. Ik deed ook mijn ondergoed uit en liet me daarna zachtjes in het water glijden. De warmte drukte op mijn borst en voor een tel was het moeilijk om te ademen. Het was erg lang geleden dat ik nog van een bad had kunnen genieten. Het deed me altijd terugdenken aan die keer, aan die andere massa water… maar die last was nu van mijn schouders gevallen. Ik had voor het eerst in lange tijd het gevoel dat ik echte vrienden had die me steunden. Nu zij wisten wat er gebeurd was, had ik niet meer het gevoel dat ik tegen hen loog door iets te verzwijgen. Ik voelde me eindelijk weer eens opgelucht. Ze hadden al zoveel van me aanvaard, en nu nog meer voelde ik hun vriendschap. Ze waren er voor mij, daar twijfelde ik niet meer aan. Ik sloot mijn ogen en ontspande helemaal. Toen ik het water weg liet lopen leek het al mijn zorgen te hebben meegenomen. Ik kleedde me aan en liep de trap af. Mam en pap waren beide naar hun werk, het huis was leeg. Ik zocht naar iets te eten, en met een snee brood in mijn mond liep ik verder, richting de tuin. Het was nog steeds warm voor de tijd van het jaar, maar de bladeren die hun kleur ruilde verraadde dat dat niet lang meer zou duren. De schommel achteraan in de tuin kraakte toen de wind hem heen en weer wiegde. Het gekraak bracht herinneringen terug. Joris en ik kenden elkaar al zo lang, al van in de kleuterklas hingen we aan elkaar. Lang geleden, had ik hem geduwd op die schommel. Steeds hoger en hoger, tot het touw knakte. Joris was weggeschoten en had bij zijn val een openbeenbreuk opgelopen. Iedere dag van die vakantie had ik bij hem thuis gestaan en met zijn rolstoel rondgereden. Uit schuldgevoel, misschien, maar vooral uit vriendschap. Ik dacht na aan hoe graag ik Joris had gehad, ik had hem zo lang als een broer gezien, had hem nooit kwijt gewild, maar het was nu niet anders…

23. De Ridders van de Roze tafel

Kyara vertelde vrolijk hoe haar weekend was geweest. Ze was samen met Karel op schok geweest; Wijnegem, filmpje,… ze had een fijn weekend achter de rug en liep op wolkjes. Ik was blij voor haar, en voor Karel natuurlijk. Het was fijn om te zien hoe mijn 2 beste vrienden elkaar graag zagen en samen gelukkig waren. We reden het schoolterrein lachend op en zetten onze fietsen weg in de stalling. De speelplaats was even vol als altijd, drukkend vol zelfs. Ik haatte het eigenlijk, ik hield meer van de rust van de studiehal. Gelukkig waren Kyare, Karel en Jessica het op dat punt roerend met me eens. Kirsten vond alles goed, zolang ze maar bij ons was. De studiehal was leeg, zoals gewoonlijk. Het was er koel en ijzig stil. We hadden ondertussen als onze vaste tafel, en tot onze verbazing zat daar iemand aan… Ik trok verbaasd mijn wenkbrauwen op en liep dichterbij. Bij het horen van mijn voetsporen had onze “tafeldief” zich gedraaid en ik keek hem strak aan. Piet.
Piet had geen oog voor mij dit keer, hij keek enkel naar Kyara en Karel die hand in hand achter me liepen. Hij siste, als een slang en mompelde iets.
“Het is dus toch waar!” Verstond ik. We wisten dat hij een oogje had op Kyara, maar dat hij er jaloers op zou zijn dat ze een relatie had met Karel hadden we niet aan zien komen. Niet eens aan gedacht eigenlijk… Had hij het dan niet gemerkt op de bus? Kyara was in Karel ’s armen in slaap gevallen, dat moest hij toch gezien hebben? Niet dus, want hij keek oprecht verbaasd. Kwaad zelfs. Ik zette me schrap om hem tegen te houden mocht hij op en toe lopen, maar hij schudde het hoofd en liep in een boog om ons heen naar buiten. Als hij een staart had gehad dan was het met de staart tussen de benen geweest, teleurgesteld, kwaad, ontgoocheld.
“Wat dacht die nu?” Vroeg Karel gepikeerd. “Hij had zich misschien wat deftig kunnen gedragen tegenover ons, dan had het misschien anders geweest.”
“Gelukkig deed hij dat niet.” Gibberde Kyara, “Stel dat het inderdaad anders was geweest.”
We dachten er niet bij na en gingen zitten. Het gewone gezwam, huiswerk, plannen voor volgend weekend. Ik dacht na, dit gaf ze een stok om mee te slagen, vreesde ik.
De volgende speeltijd was het drukker in de studiehal. Sensatiezoekers. Ik voelde dat ze op iets wachtte, ze zeiden het niet maar hun blikken verrieden hen. Er was iets op tilt…
Nog voor we tot bij onze tafel waren geraakt wierp iemand de deur met veel te veel kabaal en veel te veel show open.
“Joris.” Mompelde ik nog voor ik me omdraaide.
Hij was niet alleen. Naast hem stonden zijn commandanten. Het was of Hitler in hoogsteigen persoon de kamer was binnengewandeld, samen met enkele van zijn SS-ers. Ze bleven in de deur staan en keken ons haatdragend aan.
“Karel…” Mompelde Joris vanuit de hoogte “Ik laat je niet stelen van één van mijn vrienden.”
“Zou ik ook niet toelaten.” Antwoorde Karel kalm. “Waar heb ik hem van beroofd?”
“Zijn meisje!” Was het antwoord.
Kyara schoot in de lach, ik schaarde me naast Karel en zag hoe ook Gino de kamer binnenkwam. Hij nam kort poolshoogte bij iemand die achter Joris stond toe te kijken. Gino knikte kort en kwam met grote passen op ons toe. Hij klopte Karel op de schouder en draaide zich toen naar Joris om.
“Als het probleem is dat Kyara geen interesse heeft in Piet, dan is er geen probleem. Piet moet dat maar aanvaarden, een andere keuze is er niet.”
Joris werd eerst rood, en dan bleek. Wat woede al niet met een mens kon doen…
Ik grijnsde toen ik de onmacht op zijn SS-Sturmbannführers’ gezichten zag. Ze wisten niet wat te doen, er werd hen niets gezegd. Nog even bleven we zo tegenover elkaar staan, maar even plots als dat hun invasie was begonnen namen ze ook weer de benen.
“Die komen nog terug.” Zuchtte ik.
Karel knikte, Gino beet op zijn lip.
“Wat denken die wel?” Vroeg Kyara, duidelijk niet op haar gemak.
Ik haalde m’n schouders op toen ik merkte dat ze allemaal naar mij keken. Ik wist het ook niet… of toch niet helemaal. Het leek me enigszins typisch Joris zijn logica dat Karel nu een fout had gemaakt. Piet had immers ook een oogje op Kyara, en in Joris’ ogen was dat natuurlijk een misdaad dat Karel haar “genomen” had. Kinderachtig, maar zo was het nu eenmaal. Joris had het vast gepikt als Karel geen vriend van me was, weer het bewijs dat het eigenlijk geen voordeel voor hen had om met me om te gaan. Dat zagen zij ook wel, denk ik, maar het hield hen niet tegen. Het was vriendschap, geen parasitisme.

De dag verliep verder zonder al te veel conflict, maar het was zoals eerder; Joris en zijn Schutstaffel wachtten op hun kans. Zodra de school uit was, liepen Kyara en ik naar de fietsenstalling. Nu zij en Karel een koppel vormde hadden we afgesproken om na school nog samen wat rond te hangen, we hadden toch tijd. Karel stond ons al voor de poort op te wachten toen we met onze fietsen aankwamen.
“We kunnen naar het parkje trekken?” Suggereerde hij. Ik knikte dat het voor mij goed was, en ook Kyara ging er mee akkoord. Ik had eigenlijk het gevoel dat ik daar niet nodig was, maar ik vertrouwde Joris niet. Ik meende dat als hij iets van plan was, hij dat voor buiten de school zou houden. En ik zou gelijk krijgen, jammer genoeg. Om in het parkje te geraken kon je langs de hoofdweg rijden, maar dat betekende een omweg maken. Je kon ook langs de bib, achterdoor. Dom als we waren was dat dan ook wat we deden. Of ze ons bewust in een hinderlaag hadden willen lopen, of of ze daar toevallig ook rondhingen weet ik nog altijd niet. Feit was dat zodra we het smalle steegje inreden, Joris en zijn kliek hem langs de andere kant inliepen. Het leek op een scene uit zo’n goedkope Amerikaanse film. 2 Vijandige clans die elkander “toevallig” tegen het lijf lopen in een sloppenwijk, en twijfelend tegenover elkaar staan, niet wetende of ze de benen moesten nemen of voor de aanval moesten kiezen. Ik twijfelde er niet aan of Joris zou voor dat 2de kiezen. Ik stapte af mijn fiets en ging voor Karel en Kyara staan. Joris keek me fronsend aan.
“Écht een ridder hé,” Lachte hij kil, “nujah, wat jij wil.”
Hij keek zijn kornuiten aan en 2 van hen, Wannes en Kim, deden een pas vooruit. Ik balde mijn vuisten en zette me schrap. Karel kwam snel naast me staan en hield Kyara achter zijn rug, hij stelde zich duidelijk beschermend voor haar op. Wannes en Kim deden nog een paar passen vooruit en kwamen uitdagend dichtbij. In plaats van, zoals een normale mens zou doen, een pas achteruit te gaan deed ik net een stap naar voor. Ik was niet bang voor hen, niet meer. Wannes, die vlak voor me stond, twijfelde een seconde of 2, maar sloeg toen toch. Het kwam aan, hard, maar ik hield mezelf overeind en sloeg minstens even hard terug.
“Oemph” kreunde Tyler, waarop Piet en Joris beide ook dichterbij gelopen kwamen. Karel stond nog steeds onbeweeglijk voor Kim, die twijfelde over wat hij ging doen. Wannes was ondertussen wat bekomen, en deed een tweede uitval in mijn richting. Ik had hem blijkbaar goed geraakt, want het ontbrak hem aan pit en snelheid, en het was een koud kunstje voor me om hem te ontwijken en nog enkele rake klappen uit te delen. En toen ging het ineens snel. Joris en Piet wierpen zich mee in de strijd en terwijl zij getweeën mij met een regen vuistslagen overlaadde, kreeg ook Karel van Kim de volle lading. Ik trapte en sloeg waar ik raken kon, en zij deden hetzelfde. Zodra Karel Kim had “afgewerkt” kwam hij mij te hulp en snel daarna namen ze de benen. Het was snel gegaan, het had nog geen halve minuut geduurd, maar het had wel indruk gemaakt. Kyara stond met waterige ogen naar ons te kijken, geschokt, bang. Ikzelf voelde me een pak beter, er was heel wat frustratie op een paar tellen tijd uit m’n lichaam verdwenen, en Karel, Karel hield een zakdoek voor zijn neus. Die bloedde hevig en dat deed me wel even iets.
“Ik denk dat ik beter naar huis toe ga.” Mompelde hij terwijl hij Kyara nog even kort tegen zich aandrukte.
“Moeten we met je meegaan?” Vroeg ik bezorgd. Hij schudde het hoofd en sprong op zijn fiets.
“Morgen!” Riep hij nog terwijl hij de hoek omging.
Ik keek naar Kyara die nog steeds voor zich uitstaarde.
“Kyara?” Vroeg ik bezorgd, “Kyara,gaat het wel goed met je?”
Ik gaf haar een knuffel en merkte dat ze stond te trillen op haar benen. Ik dacht even na en besloot dat ik maar naar mijn vader moest bellen. Hij was thuis vandaag, en kon ons hier dus wel komen ophalen. Ik zag Kyara niet in staat om nog te fietsen, ze was hier te erg van aangedaan. Ik legde onze fietsen vast aan een verlichtingspaal en klapte mijn GSM open. Ik toetste de nummer in en drukte op het groene telefoontje.
“Paps?” Vroeg ik zodra er werd opgenomen. “ We hebben hier iets voorgehad, zou jij ons met de bestelwagen kunnen komen oppikken?”
Pa klonk bezorgd en vroeg waar we waren, en wie “we” net waren.
“We staan hier aan het steegje achter de bib, Kyara en ik. Tot zo!”
Exact 8 minuten later stoof de bestelwagen de straat in en kwam piepend voor ons tot stilstand. Ik vertelde kort wat er gebeurt was en Pa greep Kyara stevig vast.
“Maar meisje toch!” Mompelde hij sussend, “Kom maar mee, we gaan naar huis.”
Ik maakte de fietsen terug los en wierp ze achter in de bestelwagen. Pa drukte de gaspedaal helemaal in en we schoten door de straten. Ik vertelde nogmaals, en iets uitgebreider wat er allemaal gebeurt was, te beginnen bij dat voorval van vanochtend. Pa knikte, meer deed hij niet.
“Kyara, jouw vader is dokter, toch?” Vroeg hij na een tijdje. Kyara antwoordde niet, ze had nog steeds die verdwaasde blik in haar ogen.
“Zou ze in schok ofzo kunnen zijn?” Vroeg ik Pa.
“Ik weet het niet, Jongen,” Antwoordde hij, “Maar dat is wat ik ook net dacht. We zullen het snel weten.”
Ik keek naar buiten en merkte dat we inderdaad al voor Kyara ‘s huis stonden. Pa belde aan en ik hielp Kyara uit de wagen. Kyara’s vader, de dokter, deed open en keek ons verbaasd aan.
“Er is toch niets gebeurd?” Schrok hij.
Pa legde het hem kort uit terwijl ik en Kyara langs hem naar binnenliepen. Ik kende het huis een beetje en liep met Kyara naar de woonkamer, waar haar moeder de krant zat te lezen.
De dokter en mijn vader liepen kort na ons de kamer binnen en de dokter bekeek Kyara aandachtig. Hij probeerde met haar te praten, maar ze reageerde gewoonweg niet.
“Ik denk dat het het beste is dat we haar nu laten rusten…” Mompelde hij na een tijdje. Hij richtte zich tot zijn vrouw en sprak: “Schat, kun jij haar naar haar kamer brengen? Probeer haar wat in bed te krijgen.”
Zodra ze de kamer uit was keek de dokter naar mij.
“Heb jij er iets aan overgehouden?”
Ik schudde het hoofd. Een paar blauwe plekken, maar daar zag je nu toch nog niets van. Het was even stil in de kamer.
“Kijk, Timo, ik weet dat Kyara je graag heeft en dat jullie vrienden zijn. Ik wil daar niets aan veranderen. Maar zo kan het ook niet verder, dat begrijp je toch? Ik wil haar niet gaan verbieden om met jou om te gaan ofzo, maar ergens heb ik toch het gevoel dat jou aanwezigheid haar mee in de nesten brengt….”
“Dat weet ik ook wel, Dokter,” Antwoordde ik, “maar denk je dat zij of Karel zich daar iets van aantrekken? Als ik daar iets over zeg dan luisteren ze niet eens. Vrienden zijn vrienden, dat is hun idee erover. En ja, ik voel mij ook goed bij hen, maar het doet me echt pijn dat ik hen hierin heb meegesleurd…”
“Het is zijn fout niet.” Mengde nu ook mijn vader zich, “Joris is altijd een goede vriend van hem geweest, niemand had kunnen verwachten dat het zo uit zou draaien. Maar het kan zo niet verder. Voor ons is het al zwaar geweest, maar wij staan sterker nu, en ook Timothy staat, dankzij jullie dochter, een pak steviger in zijn schoenen nu… dat mag niet veranderen. Het is Joris waar iets aan moet gebeuren.”
Vader en de dokter keken elkaar aan en knikte tegelijk.
“Ik stel voor dat we de ouders van Karel hier ook bij betrekken.”
“Gelijk hebt u, dokter.” Antwoordde pa.
“Noem me toch Dirk…” Sprak deze terwijl hij opstond en naar de telefoon liep.
“Ha, Peter,…”
Ik keek vader aan en hij legde troostend zijn handen op mijn schouder.
“We lossen dit nu op, we gaan er Nu voor blijven gaan, Timo.”
Ondertussen kwam Kyara’s moeder naar beneden.
“Ze slaapt.”Deelde ze kort mee.
20 Minuten later werd er zachtjes op de deur geklopt. Karel en zijn ouders werden door de dokter binnengelaten en we zetten ons met z’n allen rond de grote tafel in de woonkamer.
Nadat Dirk Karels neus had verzorgd, legde hij nog eens kort uit wat er gebeurd was en besloot zijn uitleg met mijn vaders woorden:
“Onze kinderen zijn vrienden, we mogen hen niet uit elkaar trekken omdat iemand anders lastig doet omdat 1 van hen anders is, of omdat ze een koppeltje vormen. Het is Joris waar iets aan moet gebeuren, en ik denk dat wij hier voor moeten gaan. Wij moeten Nu proberen dit op te lossen.”
Iedereen knikte maar het bleef stil.
“Via de school?” Vroeg Kyara ‘s moeder wat argwanend.
“Misschien,” Mntwoordde Peter, Karel ‘s vader, “of via de politie, na wat vandaag is gebeurd.”
Politie? Dacht ik geschrokken.
“Misschien beter niet ineens langs de politie, dat is niet nodig denk ik… als we nu eens met Joris’ ouders zouden gaan praten…” Mompelde ik.
Vader knikte.
“Timo en Joris waren lang vrienden, zijn ouders schoten ook goed met ons op… Rudi en Pascal zullen zeker willen luisteren, en als onze kinderen dat een beter idee zouden vinden vind ik ook dat we dat eerst moeten proberen.”
Weer knikte iedereen instemmend.
“Ik zal morgen naar hen bellen.” Besloot vader. “Woensdagmiddag kunnen we dan proberen met hen samen te komen.”
“Hier dan.” Zei de dokter vastbesloten. “Hier is er ruimte voor zoiets, en woensdagnamiddag heb ik toch geen ronde.”

En zo was besloten. De ridders van de roze tafel gingen uiteen.

24. “Hoor ook de andere zijde.”

Het was snel woensdag. Om 7 uur ’s avonds was er bij Kyara thuis afgesproken en Karel en ik waren er al om 6. Kyara had die dinsdag thuisgebleven en was nu al wel weer zichzelf. Ze was nog wat schuchter, maar voor de rest leek ze weer helemaal de oude. Joris ‘ouders zouden zonder hem komen, hij wist niets van deze “vergadering”. Zijn ouders waren erg verbaasd geweest toen mijn vader hen had gebeld, ze hadden geen flauw vermoeden waar het over ging, maar vonden het fijn om nog eens van ons te horen. Ik vond het raar; wisten zij het niet?

Iets voor 7 kwamen onze ouders aan. Dirk ontving iedereen even vriendelijk en toen Joris’ ouders er ook waren vroeg hij hen om mee aan de grote tafel te gaan zitten.
“Ik neem aan dat jullie wel weten waar het over gaat?” Begon hij.
Rudi en pascal schudde ontkennend het hoofd. Dirk fronste.
“Echt geen idee?”
“Nee.” Antwoordde Rudi, “Er is toch niets mis?”
“Als jullie het echt niet weten,” Kwam mijn vader tussen, “dan denk ik dat jullie eens naar mijn zoon moeten luisteren…”
Iedereen keek naar mij en twijfelend begon ik te vertellen vanaf het ogenblik dat ik Joris verteld had van mijn geaardheid. Ik liet enkele dingen die voor mij nog te kwetsend waren -mijn zwempartijtje in de schelde- achter, maar voor de rest deed ik het hele verhaal, hier en daar door Kyara, Karel of mijn vader aangevuld. Rudi en pascal luisterde zwijgend, de verbazing was op hun gezicht af te lezen. Toen ik klaar was nam Rudi het woord.
“Timothy, dit wisten wij niet! Het spijt ons zo dat dit zo lang heeft moeten duren!”
“Wisten jullie er echt niets van?” Vroeg ik verwonderd.
“Nee,” Antwoordde Pascal, “We dachten dat jij en Joris gewoon uit elkaar waren gegroeid, of een ruzietje hadden gehad ofzo. Dat gebeurt, dus we maakten ons er niet echt druk over. Joris vertelde ook niet meer over je, maar verder was er echt niets dat ons dit kon doen vermoeden!”
Even was het stil rond de tafel.
“En nu?” Vroeg Karel’s Moeder, Ann.
Rudi beet op zijn lip.
“Ik wil het hier eens met onze zoon ook over hebben. Ik kan me niet voorstellen dat het voor hem echt zo erg zou zijn dat Timo homo is… volgens mij is er nog iets, en ik zou daar graag achter willen komen voor ik iets anders doe. Maar geloof me, we gaan hier iets aan doen, en als het even gaat, liefst met z’n allen.”
Hij keek de tafel rond en iedereen knikte kort als hij zijn blik op hem of haar liet rusten.
Een stilzwijgend pact werd gesloten.

25. Joris

Ik wist niet waar Pa en Ma heen waren. Ze moesten plots ergens heen, zomaar, ineens. Er stond niets op de kalender waar mijn moeder, dwangneuroot die ze is, al haar afspraken op noteerde. Ik vond het maar raar, maar trok het me verder niet aan. Ik speurde de keuken af naar iets om te eten. De lasagne van daarnet was me niet bevallen, en was er al lang weer uit ook. Ik kon nog altijd niet zo goed tegen die vervloekte pepers die ze overal op gooit. Op het aanrecht stond nog wat overschot van de kippensoek die ze gisteren gemaakt had. Ik goot het in een kom en zette die in de microgolfoven. Even later liet ik me met mijn kom soep wegzakken in de zetel. De klok gaf aan dat het 20 na 7 was. Ze waren bijna een half uur weg dus… ver zouden ze vast niet zijn, ik verwachtte hen elk ogenblik terug. Toen ze echter om 8 uur niet thuis waren trok ik naar boven. Ik voelde me klote en had geen zin om nog op hen te wachten. Ik wierp de deur van m’n kamer open en keek recht in zijn ogen. Die verdomde kankerfoto hing nog steeds waar we hem jaren geleden opgehangen hadden. Ik keek naar het gezicht van de jongen. Hij lachte, vriendelijk. Het was een bewerkte foto, maar het opschrift “Friends for ever” was niet nodig om te tonen dat de jongen en ik goede vrienden waren. Geweest, want die tijd was ver achter ons. Ik snapte zelf niet goed waarom, maar ik kon die foto niet weg doen. Ik had hem lang als een broer gezien, tot hij me verraadde. De Janet!
Ik keek nog even naar de foto en schudde het hoofd. Ik was moe, ik wilde hier niet aan denken. Alles dat ik nu wilde was slapen, niet nadenken over vandaag, gisteren, en al helemaal niet over eergisteren. Ik trok de lakens over m’n hoofd en dommelde langzaam aan in. Ik sliep zo vast dat ik niet hoorde dat er een auto de oprit opreed, dat ik de portieren niet hoorde toeslaan, dat ik niet hoorde dat mijn ouders thuiskwamen.

“Hoe kan het toch dat we hier nooit iets van gemerkt hebben?” Vroeg mijn moeder fluisterend aan Pa zodra ze zich in de zetel neerplofte. Hij keek haar liefdevol aan.
“Joris praat niet veel met ons, schat, wij konden dit niet weten. Maar nu we het weten moeten we er met hem over praten.”
Vader stond op en liep naar de kleine bar in de hoek van de kamer. Hij schonk zichzelf een glas whisky in en sloeg het in een keer achterover. Ze keken elkaar zwijgend aan en zette de televisie op.

Ma en Pa sliepen nog toen ik wakker werd. Ik kleedde me aan en ging iets eten. Ik had geen zin om naar school te gaan, maar keuze had ik niet. Ik maakte me klaar en om 3 na 8 trok ik de deur achter me dicht. Ik startte m’n brommertje en schoot weg. Ik was best trots op mijn getunede Camino. Hij was anders dan al die moderne brommertjes en scooters, en toch ook weer anders dan de andere Camino’s. Hij was zoals ik hem wilde; anders, héél anders. Van mijn brommertje kon ik verdragen dat hij anders was, hij moest dat zijn. Maar voor de rest moést iedereen normaal zijn. We deden niet aan tegen de stroom in zwemmen. De anderen stonden me al op te wachten voor de schoolpoort. Zij wisten hoe het hoorde… Wannes, Kim, Piet en ik, wij moesten op onze manier doen wat goed was…
Ik schudde iedereen even de hand en stak toen ook een sigaret op. Wannes’ gezicht was nog opgezwollen van maandag, de roze ridder had hem enkele rake klappen gegeven. Ik snapte niet hoe dat kon. Met die survival had ik ook al ondervonden dat Timothy sterker was geworden en dat terwijl het enige dat hij deed lopen was. Ik verdenk hem er stiekem van dat hij fitnest ofzo, het kan toch niet dat hij vanzelf sterker wordt? Ik kreeg kort te horen wat er allemaal gebeurt was gisteravond, maar niets dat me echt interesseerde.
“Kom, we zullen maar naar binnen gaan.” Het was Piet die dat voorstelde. We legden onze brommertjes vast en liepen het schoolplein op. De roze ridder en zijn wapenbroeders waren niet te bespeuren, die hingen vast weer rond in de studiehal. Daar waren ze altijd… Uit schrik voor ons? Ik weet het niet. Daarbinnen was altijd wel een leerkracht die snel in kon grijpen, maar hetzelfde gold voor buiten. Het was waarschijnlijk de rust die hen daarheen lokte. Ik zuchtte, ik had hier echt geen zin in.

Ik stak mijn sleutel in het slot en deed de voordeur open. Ma en Pa zaten in de zetel en keken me strak aan.
“Joris,” Verbrak Pa het zwijgen, “wij moeten eens met elkaar praten denk ik.”
Ik beet op mijn lip, was het wat ik dacht?
Ik zette me in de fauteuil en wachtte af.
“Heb je eigenlijk nog contact met Timo?” Ging hij op luchtige toon verder.
Ik schudde het hoofd.
“Je ziet of spreekt hem niet meer?”
Ik schudde weer van nee.
“Wel, je weet dat wij gisteravond weg moesten… De ouders van enkele leerlingen uit je klas hadden ons gevraagd om eens met hen te komen praten… De ouders van Kyara, Karel en Timothy.”
Mijn beide ouders keken me enigszins beschuldigend aan. Ik haalde m’n schouders op.
“Was het gezellig?” Vroeg ik nonchalant.
“Teleurstellend is een beter woord.” Antwoordde mijn moeder kil. “Als nog maar de helft van wat ze ons verteld hebben waar is, Joris, dan zou jij je moeten schamen!” Moeder stond op en liep de kamer uit.
“Mooi is dat!” Riep ik kwaad. “Achter mijn rug afspraakjes maken!”
“Was het niet nodig?” Wond vader zich nu ook op. “Ik wil nu van jou horen wat er scheelt, jouw verhaal, Joris! Je bent mijn zoon, dus ik wil je die kans geven. Maar ik heb gisteren dingen gehoord, waar ik enorm van geschrokken ben… Dus kies nu maar wat je het beste lijkt, en wees blij dat die ouders met ons wilden praten, anders waren ze naar de politie gegaan.”
Politie? Politie?Waren ze zo ver dat ze me bij de politie zouden willen gaan aanklagen? Ach, het kon wel…
“Ik ben altijd in mijn recht geweest, Pa. Timothy heeft mij verraden, niet omgekeerd.”
“Je verraden? Wat zeg jij nu?” Pa keek verbaasd.
“Komaan Pa! Die vuile Janet heeft nooit iets gezegd! Ik heb meermaals samen met hem gedoucht,gezwommen,geslapen, die vuilak heeft al die tijd op me zitten geilen!”
“Timothy heeft je toch nooit aangeraakt ofzo? Jullie waren vrienden, zo’n dingen doe je dan samen!”
“Hij is ziek, Pa, Homo, snap je wel?”
Het leek wel of Pa me niet begreep. Snapt hij dan echt niet wat het betekent dat Timothy Homo is? Het is een verdomde janet!
Ik stond op en liep naar mijn kamer.

“Hebben we onze zoon zo opgevoed?” Mompelde mijn vader voor zich uit. “Zo dat hij iets als homoseksualiteit niet kan plaatsen?”

Ik rende woedend de trap op. Hoe konden mijn eigen ouders nu kant kiezen voor die Janet? Hoe konden ze, achter mijn rug om, met mijn vijand verbroederen? Ik voelde me in de steek gelaten, wéér verraden. Toen ik zijn foto opmerkte aan mijn kamermuur sloegen mijn stoppen door. De briefopener die ik op mijn bureau had liggen schoot door de lucht en bleef steken in de muur, dwars door de foto. Ik trok het mes los en scheurde het onding van de muur. Ik haalde mijn aansteker boven en stak de foto aan. Brandend wierp ik het in mijn lege vuilnisbak. Het had wel iets, dat geknetter… Ik doorzocht mijn kamer naar nog meer foto’s waar hij iets mee te maken had, en wierp ze allemaal mee de vuilbak in. 13 Brandende foto’s… Het kalmeerde me echter niet. Het deed goed, omdat ik hem nu niet meer kon zien, maar toch… Ik kookte vanbinnen… Ik liep naar de badkamer en draaide de koude kraan open. Ik sprong onder de ijskoude stralen en bleef staan. Langzaam voelde ik hoe ik verkleumde. Ik kon weer denken zonder enkel woede te voelen… Ik twijfelde even aan mezelf. Waarom had ik eigenlijk het gevoel dat Timothy mij had verraadden. Misschien had vader wel gelijk en was het voor hem maar vriendschap geweest, niets meer. Maar dan had hij het eerder gezegd. Dan had hij het niet zo lang verzwegen. Een kleine vonk als dat idee was genoeg om me weer aan het koken te brengen. Ik kreeg het water niet meer kouder, maar voelde ook wel dat ik moest kalmeren. Ik ging zitten en wachtte tot de woede weg zou ebben, terwijl het ijskoude water over me heen bleef stromen. Ik wilde niet nadenken over wat Pa gezegd had. als hij gelijk had, dan was ik zwaar in de mist gegaan. De koude stralen begonnen pijn te doen. Met heel wat moeite hees ik me overeind en draaide ik de kraan toe. Zodra ik mezelf weer warm had gewreven liep ik naar mijn kamer en legde ik me ten ruste. Ik was moe.

26. Geen nieuwe confrontatie?

Joris’ ouders hadden beloofd dat ze gisteren met hem zouden praten. Ik kende hem te goed om te geloven dat dat effect zou hebben gehad. Joris hield zielsveel van zijn ouders, maar als ze het er met hem over zouden hebben, dan zou hij zich verraden voelen. En ik wist nu al dat hij die frustratie op ons zou willen koelen. Voor mij deed het er niet echt toe. Ik had nu al meermaals gemerkt dat ik sterker was dan hem, en al gebruikte hij geweld, ik zou hem wel van me af weten te houden.
“Hij doet maar.” Mompelde ik. Ik sprong op mijn fiets en reed naar Kyara thuis. Zij stond al op haar oprit en, Karel stond naast haar.
“Morgend!” Riep ik zodra ze me opmerkten.
“Jij ook, Timo.” Antwoordde Karel.
“Ben jij helemaal hierheen gereden om maar met je vriendinnetje naar school te kunnen rijden?” Plaagde ik.
Kyara kreeg een blos.
“In feite heb ik hier overnacht.” Antwoordde Karel enigszins twijfelend. Kyara werd ondertussen zo rood als een tomaat en ik besloot dat ik maar niet verder moest vragen. Ieder koppeltje heeft zo zijn behoeften, denk ik dan. We babbelde nog even over wat anders en vertrokken toen maar naar school. Zodra de plaat met de rode letters voor ons opdoemde begonnen we onbewust trager te fietsen. Alsof we het moment waarop we Joris onder ogen zouden moeten komen wilden uitstellen. Een domme onbewuste reactie, dat wisten we ook wel. Joris was zelden kort na achten op school, en waarom zou dat vandaag wel zo zijn? Juist ja, omdat hij kwaad kon zijn, maar dan nog. Zodra de schoolpoort goed zichtbaar was en we duidelijk konden zien dat de brommertjes er nog niet stonden, begonnen we weer wat sneller te fietsen. 5 Minuten later zaten we in de studiehal.
Het was nog erg rustig op school, er liepen nog maar weinig leerlingen rond op de speelplaats en in de studiehal was nog niemand. Wat best raar was de laatste tijd. Normaal had ik zoiets zelf opgemerkt, maar vandaag niet. Karel wees me er op, alsof hij verwachtte dat ik hem een reden kon geven. Kyara kreeg op dat ogenblik een inval.
“Staken de bussen niet vandaag?” Vroeg ze.
Ik dacht even na en knikte toen bevestigend.
“ ‘k Geloof het wel, nu je het zegt.”
We ploften ons neer aan onze vaste tafel en wachtte op Jessica en Kirsten. Het was Kirsten die als eerste de hal binnenkwam. Ze leek moe. Ik sprak niet zoveel met haar, niemand eigenlijk. In vergelijking met het begin van het jaar was ze nu veel stiller, ze vertelde nog maar amper iets. Jessica had me toevertrouwd dat Kirsten ‘s ouders op scheiden stonden, en dat Kirsten daar onder leed. Het had daar dus vast mee te maken.
Ze zette zich neer aan de tafel en knikte even kort.
“Jessica zal er vandaag niet zijn, is ziek.” Deelde ze kort mee.
“Jij ziet er ook niet echt fris uit, anders.” Merkte Kyara op.
“Weinig geslapen.” Luidde het antwoord.
Ik vroeg me af of dat echt alles was, maar had niet het lef om nog iets te vragen. Soms is het gewoon makkelijker om te doen of je niet ziet dat de ander met iets zit. Praten is niet altijd makkelijk. Ik vroeg me af hoe Joris’ ouders zich gisteravond hadden gevoeld. Zij hadden het er moeilijk mee, dat had ik woensdag wel gemerkt, maar het was vast moeilijker voor hen geweest om hun eigen zoon nu te moeten bevragen. Zeker als ze zijn reactie hadden gezien. Joris was vast kwaad geworden, had geroepen,… het kon moeilijk anders.
Toen de bel ging was Joris nog steeds niet langs geweest. Kyara herademde maar ik deelde haar opluchting niet. Hij was vast iets van plan.. Hij zou ons wel weer na school opwachten, dacht ik. Karel leek er ook niet gerust op. In de rij merkten we dat Joris weldegelijk op school was. Hij keek ons even aan, maar hij leek niet zozeer kwaad. Vreemd.

De dag verliep rustig en een nieuwe confrontatie bleef uit.

Re: [Verhaal]De Roze Ridder

Geplaatst: 02 jul 2010 09:54
door Stiko
Opstaan

1. De dag waarop alles veranderde

De wekker ging vroeg af, ik was blijkbaar vergeten die op weekend te zetten. Licht vloekend sloeg ik het onding uit en stond op. Buiten scheen al de zon, en ik besloot om iets te gaan doen vandaag. Karel en Kyara hadden al plannen wist ik, Kirsten had het ook steeds te druk en Jessica was ziek. Ik had geen zin om Gino op te bellen, dus dan ging ik maar iets in m’n eentje doen. Ik liep de trap af en at iets. Daarna pakte ik mijn fiets en vertrok. Waarheen ik reed wist ik niet, ik fietste gewoon. Ik zou wel zien waar ik uitkwam. De zon scheen maar toch was het koud. Gelukkig had ik me warm aangekleed, anders was het gewoonweg onaangenaam geweest. Het was een prachtige winterdag en ik genoot er van. De koude lucht vulde m’n longen en ik voelde me erg goed. Zo reed ik de hele dag rond, tot om een uur of 3 de hemel donker werd. Zachtjes vielen de regendruppels naar beneden. Verwachtend dat het snel over zou zijn reed ik nog wat verder, maar het begon steeds harder te regenen. Ik besefte wel dat ik nooit thuis zou geraken voor het noodweer helemaal los zou barsten,maar toch hoopte ik dat als ik maar snel genoeg fietste ik vrij droog kon blijven. Alsof die gedachte een teken was brak toen de hemel open. Het water viel met bakken en uit de lucht en in de verte schoten de bliksemschichten uit de lucht. Ik keek snel om me heen om te kijken of ik niet ergens kon schuilen, en ontdekte een klein dorpscafé op de hoek van de straat. Ik schoot erheen. Zodra ik mijn fiets had vastgelegd duwde ik de deur van het café open. De warmte en de geur van stoofvlees sloegen me in het gezicht. Ik bleef in de open deurpost staan en keek het kleine zaaltje rond. Mensen van alle slag zaten er aan de tafeltjes, een groep oudere mannen kaartte en een groep jongens was aan het snookeren. Allemaal keken ze me even aan en gingen toen verder met waar ze mee bezig waren.
“Ga je die deur nog sluiten?” Riep één van de kaartende mannen, “Het wordt verdomme koud zo!”
Zonder iets te antwoorden deed ik wat me gevraagd werd en liep ik naar de toog. De barman knikte kort in mijn richting.
“Heeft u iets warm?” Vroeg ik hem.
“Thee,koffie en soep.” Antwoordde hij.
Ik had van de hele dag nog niets gegeten, dus die soep zei me wel iets.
“Kommetje soep graag.”
Ik hees me op een barkruk en keek naar buiten. De regen bleef met bakken uit de lucht vallen en het zag er niet naar uit dat het snel zou stoppen. Ik zuchtte. De barman kwam net terug uit de keuken en zette een grote kom soep voor me neer.
“Je bent niet van hier in het dorp.” Constateerde hij toen hij me even grondiger had bestudeerd.
“Nee,” Antwoordde ik “Ik kom van Merksem.”
“Dat is toch wel een eindje.” Antwoordde hij.
Ik haalde mijn schouders op. De afstand was nu niet echt mijn grootste zorg, hoe ik ze droog ging overbruggen wel. Ik keek het zaaltje nog eens rond en liet mijn blik rusten op de snoekerende jongens. Ze waren vrolijk, wat luidruchtig en enkelen ongetwijfeld licht aangeschoten. En van hen had de hele tijd tegen de muur geleund met zijn kap ver over zijn gezicht, maar nu hij aan de beurt was kwam hij van de muur los en wierp nonchalant zijn kap achterover.

Mijn adem stokte. “Ik ben aan het dromen,” mompelde ik binnensmonds, “dat kan niet anders.” Onder de donkere kap was de knapste jongen die ik ooit had gezien verborgen gegaan. Zijn goudblonde haar viel golvend voor zijn ogen toen hij zich vooroverboog over de biljarttafel. Hij keek de tafel rond en plots kruisten onze blikken. Dit kon gewoon niet! Ik had het gevoel of hij met zijn grijsblauwe ogen dwars door me heen keek. Hij bleef me even aanstaren en knikte toen kort. Hij stootte de witte bal aan maar raakte geen rode. Terwijl hij de cue aan een van zijn vrienden gaf bewogen zijn prachtige lippen. Ik vervloekte mezelf omdat ik zover was gaan zitten. Het was onmogelijk om van hieruit zijn stem te kunnen horen. Hij zette zijn kap weer op en ging zitten, met zijn rug naar mij toe. Verbaasd staarde ik nog steeds naar hem, wat blijkbaar een van zijn vrienden op de zenuwen werkte.
“Moet je soms iets?” Riep hij
“Ik?” Antwoordde ik verbaasd
“Ja jij! Heb je soms een probleem ofzo?”
“De laatste keer dat ik keek niet, nee.”
Blijkbaar had hij niet evenveel gevoel voor humor als ik.
“Klop hebben?” Riep hij kwaad.
Nee, daar had ik geen zin in. Ik wenkte de barman en betaalde voor m’n soep. Toen stond ik op en liep het café uit, de gietende regen in. De blonde engel had zijn vriend een stomp gegeven en kwam me achterna.
“Hé,” Riep hij, “Je gaat toch niet door dit hondenweer helemaal naar Merksem rijden?”
Ik draaide me om en keek hem weer aan. Van zo dichtbij was hij nog knapper, en het kostte me alle moeite van de wereld om mijn mond niet van verbazing open te doen vallen.
“Ik ben Gabriël” Ging hij verder en hij stak zijn hand uit.
“Timothy.” Antwoordde ik en schudde hem de hand.
“Het spijt me van Pieter.” Mompelde hij terwijl hij me weer zachtjes naar binnen duwde, “Die heeft nogal een kort lontje.”
“Dat merkte ik.” Antwoordde ik. Het was raar, het voelde alsof een leger rupsen in mijn buik met z’n allen tegelijk vlinders waren geworden. Ik had mijn stem amper onder controle, had het warm en koud tegelijk,… het was een raar gevoel dat zich meester van me maakte. Dopamine en noradrenaline…

Hij ging me weer voor en leidde me naar de snookerende jongens.
“Allemaal je manieren houden.” Beval hij terwijl hij de roeper strak aankeek. Sommigen knikten nog eens in mijn richting, andere deden nonchalant verder en Pieter stak zijn hand uit.
“Sorry van daarnet.” Mompelde hij.
“Geen probleem.” Antwoordde ik. Ik schudde hem de hand en stelde me voor.
“Wat brengt je hier eigenlijk?” vroeg Gabriël.
“Gewoon, wat gaan fietsen en hier aangekomen.”
“Haha, heb je interesse soms, Gabriël?” Lachte een ander.
Gabriël keek de ander even aan en dan weer naar mij.
“Ja, let niet op hen… ze maken soms van die opmerkingen… Moet je kunnen verdragen als je Homo bent.”
De vlinders begonnen nog heviger te fladderen.
“Inderdaad.” Stotterde ik.
Gabriël keek me opnieuw aan, hield nieuwsgierig zij hoofd wat schuin, maar vroeg niets.
Het was al laat toen ik besloot om op te stappen. Ik had het gezellig gehad, nieuwe vrienden gemaakt,… Ja, het was goed geweest. Ik stond op en zei iedereen gedag. Toen ik buiten mijn fiets losmaakte kwam Gabriël me weer achterna.
“Seg, Timothy,” Vroeg hij, “zouden we geen telefoonnummers uitwisselen ofzo?”
Ik knikte. Gabriël haalde zijn gsm boven en ik gaf hem mijn nummer.
“Ik stuur je wel een berichtje, dan heb je mijn nummer ook ineens.”
Ik drukte hem de hand en keek hem nog even aan. Dan maakte ik me los van zijn ogen, waar ik bijna in verdronk, en sprong op mijn fiets.
“Tot nog eens!” Riep ik nog.
Hij stak zijn hand op en ging weer naar binnen. Ik voelde me goed…

Die maandag ging de wekker af. Zoals dat eigenlijk alle dagen van het jaar het geval was. Ik stond op, net als alle andere dagen en maakte me klaar, ook vrij traditioneel. Ondanks dat alles exact zo ging als alle dagen die er al geweest waren voelde ik dat er iets anders was dan normaal. Ik maakte me geen zorgen over wat er zou gaan gebeuren. Ik zou wel zien. Nee, zelfs dat niet. Ik had besloten dat als er iets moest veranderen ik er zelf voor moest zorgen. Ik moest iets doen vandaag, iets dat ik veel eerder had moeten doen, iets dat misschien veel leed had kunnen voorkomen. Misschien dat alles echt goed zou komen.
Ik ging naar beneden en was opgewekter dan normaal, en dat viel moeder op.
“Wat is er toch met jou de laatste dagen? Je bent zo vrolijk.”
Ik dacht even na… Het was Gabriël, dat wist ik ook wel, maar er was niets dus hoefde ik iets te zeggen? Nee.
“Niets.” Loog ik.
Ik at zoals alle ochtenden zwijgend mijn ontbijt op en vertrok naar Kyara. Het verbaasde me niet dat Karel er ook al stond. Ik begroette hen beide hartelijk en vroeg hen hoe hun weekend was geweest. Karel vertelde dat ze samen waren gaan zwemmen en naar de cinema waren geweest. Ik vroeg me stiekem af of ze veel van de film gezien zouden hebben, maar hield dat voor mezelf. Ik vertelde echter ook over mijn weekend, en toen ik over Gabriël had verteld keek Kyara me even veelbetekenend aan.
“Volgens mij, Karel, is onze vriend hier een beetje verliefd.” Lachte ze. Ik lachte schaapachtig mee en de rest van de fietstocht was gevuld met plagerijtjes, zoals dat bij vrienden nu eenmaal gaat. Ze wisten niet wat ik van plan was, en ik was er zeker van dat het de oplossing was… Ik lachte.

Toen we op school aankwamen gingen Karel en Kyara rechtstreeks naar de studiehal.
“Ik moet nog even langs de wc, ik kom zo.” Loog ik, voor de tweede keer die dag. Ze knikten en liepen hand in hand de speelplaats over. Ik keek hen nog even na, ontroerd door hun ongewoon grote liefde voor elkaar. Het was gewoon mooi om te zien. Zodra ze de blok binnengingen draaide ik me om en liep ik naar de schoolpoort. Er stonden al brommertjes, en diegene die ik zocht was er ook al.
Zonder te twijfelen liep ik op hem toe.
“Joris,” Zei ik, “zou ik je even kunnen spreken?”
Hij keek zijn vrienden even aan met zo’n blik van; “Wat zullen we nu krijgen?” maar volgde me toch mee naar een rustiger hoekje van de speelplaats.
“Kijk,” Begon ik mijn relaas. “ik ben al die ruzie beu, Joris. Het heeft toch geen zin? Ik bedoel, we zijn zo lang vrienden geweest, dat kan toch niet allemaal verdwenen zijn?”
Joris zweeg en beet op zijn lip.
“Misschien niet nee.” Antwoordde hij bijna fluisterend.
Ik keek hem in de ogen en vroeg me af wat er in zijn hoofd omging. Hij staarde recht voor zich uit, alsof ik er niet was, naar iets ver achter me. Hij zuchtte.
“Joris?” Deed ik een poging om hem terug bij de situatie te brengen. “Misschien dat we het moeten proberen, niet? Zoals het vroeger was, het was toch goed toen?”
“Misschien,” Zuchtte hij. “maar ik kan dit niet. Ik snap niet, ik, ik kan niet begrijpen, hoe kon je zo tegen me zwijgen! Ik vertelde altijd alles aan je, en jij hebt jarenlang tegen me gelogen! Hoe kon je dat! Je zegt dat we vrienden waren, maar wat stelt dat voor als je tegen elkaar liegt!”
“Denk je dat het simpel was?” Vroeg ik, een beetje gepikeerd. “Denk je echt dat het voor mij makkelijk was om maar te doen of er niets aan de hand was? Maar ik durfde niet anders. Ik was bang voor jullie reactie, en niet geheel onterecht, hé. Hoe had je gereageerd als ik het eerder verteld had? Hetzelfde, Niet?”
Joris keek me aan en beet weer op zijn lip. Ik zag dat hij zijn lip open had gebeten en zacht bloedde.
“Ik snap echt wel dat het voor jou niet makkelijk is,” Zei ik toen ik merkte dat hij niet ging antwoorden. “maar dat is het voor mij ook niet geweest,nooit niet. Ik heb niet alleen tegen jou moeten liegen, maar ook lang genoeg tegen mezelf. Voor mij was het ook niet enkel rozengeur en maneschijn. Dus laat ons op zijn minst proberen het voor elkaar niet nog moeilijker te maken, uit naam van onze vroegere vriendschap. Deal?”
Hij keek weg en dacht na.
“Misschien zat ik fout.” Zei hij plots. Ik wist niet waar dat ineens vandaan kwam. “Jij bent niet veranderd doordat je homo bent… Jij bent nog steeds die jongen van vroeger… Maar toch, het zal nooit meer zijn zoals vroeger, Timothy, dat mag je niet van me verwachten, maar goed, we hebben een deal.”
Hij drukte me stevig de hand en slenterde toen weer terug naar zijn vrienden. Ik was verbaasd door wat hij had gezegd, dacht hij er echt zo over nu? Ik begreep hem nu wel beter, ik snapte beter waarom hij zo had gereageerd… Opgelucht om de zware last die eindelijk van mijn schouders was gevallen ging ik naar de studiehal. Karel en Kyara keken me verbaasd aan omdat het zo lang geduurd had.
“Waar bleef je toch?” vroeg Kyara…
“Ik ben met Joris gaan praten…” Antwoordde ik en ik vertelde hen over wat ik net gedaan had. Kyara ‘s ogen flikkerde, ze was blij dat het eindelijk afgelopen was, en ik voelde exact
hetzelfde.

De dag verliep verder rustig, Joris liet ons met rust; geen hatelijke opmerkingen, geen scheldkanonnades,… kortom, het was een hele herademing. Ook mevrouw Gijssen vond het een hele verbetering. Het enige geschil dat er in al die tijd in onze klas leefde was opgelost, plotseling, ineens. Ik nam het mezelf een beetje kwalijk dat ik dit niet eerder had gedaan, het had heel wat leed kunnen voorkomen. Maar ach, wat was was en kan je niet veranderen . Toen ik ’s avonds thuiskwam vertelde ik mijn ouders wat er was gebeurd. Moeder zuchtte opgelucht, vader gaf me een bemoedigende schouderklop.
“Ik moet even iemand bellen.” Mompelde ik en ik liep de trap op. Ik doorzocht mijn kamer naar mijn gsm, en toen ik het onding eindelijk gevonden had riep moeder dat het eten klaar was. Ik liep naar beneden en at zo snel ik kon mijn eten op. Hap,slik, verslik… Ik proestte het uit.
“Dat krijg je nu als je te gulzig bent.” Zei vader droog. Ik lachte maar schrokte mijn eten met dezelfde snelheid verder binnen. Vader schudde zijn hoofd toen ik even later de trap weer opstormde.
“Wat heeft hij ineens?” Zuchtte hij, alsof hij niet meer kon volgen. Moeder had het sarcasme in zijn stem niet opgemerkt.
“Ik denk dat hij weer gelukkig is.”

Ik schaarde mijn gsm van mijn bureau terwijl ik me op het bed liet neerploffen. Ik toetste zo snel ik kon zijn nummer in. Te snel, zo bleek, want een oud vrouwtje nam op.
“Verkeerd verbonden.” Verontschuldigde ik me en ik begon aan een 2de poging. Dit maal zat ik goed, dat wist ik zodra ik zijn stem herkende.
“Met Gabriël.” Klonk het.
“Gabriël” Antwoordde ik vrolijk “Het is Timothy hier hé.”
Ik vertelde hem wat er gebeurt was. Hij kon overduidelijk niet volgen, en dus vertelde ik het hele verhaal, vanaf het begin.
“Wauw,” Zei hij toen ik tot op het punt van bellen kwam. “je hebt het dus niet echt gemakkelijk gehad.”
Ik lachte. “Maar dat komt wel goed, nu.”
Even bleef het stil aan de andere kant van de lijn.
“Heb je woensdag iets te doen?” Vroeg Gabriël toen.
“Nee, niet direct.”
“Zin om mee naar de cinema te gaan dan?” Vroeg hij.
“Natuurlijk!” riep ik uit, met heel wat moeite mijn enthousiasme onderdrukkend.

2. Vuurwerk

Ik had verwacht dat Gabriël enkele van zijn vrienden had meegebracht, maar hij stond me in zijn eentje voor de deuren op te wachten. Ik voelde mijn hart in mijn keel slaan terwijl ik hem zo zag staan. Hij was nog mooier dan ik me herinnerde… Een lok van zijn goudblonde haar viel voor zijn blauwe ogen en hij schudde die lok opzij zodra hij me zag naderen.
“Ha, Timothy!” Groette hij me.
“Hey.” Stotterde ik.
“Alles goed?” Ik was niet in staat om te antwoorden en keek hem als betoverd aan. Hij herstelde zijn vraag en ik knikte flauw met mijn hoofd. Een stemmetje riep dat ik me belachelijk was aan het maken… Ik schudde even met mijn hoofd en toen ging het weer wat beter.
“Met jou?” Bracht ik uit.
Hij knikte. “Kom, we moeten nog tickets halen.”
Ik liep naast hem naar de balie en bestelde 2 tickets. We haalden daarna ieders nog een grote bak popcorn en gingen toen naar de zaal. We praatte nog wat en totdat de lichten doofden en de film begon. Tegen de pauze merkte ik dat ik nog niets van de film gezien had. Ik had anderhalf uur naar hem zitten kijken, staren. Ik besefte dat hij dat door moest hebben, en dat het hem vast geneerde. Met heel wat moeite trok ik mijn ogen los en probeerde ze naar het scherm te richtten. Het lukte amper… Ik voelde me net een magneet naast een staaf metaal. Volledig bezig daardoor aangetrokken te worden, maar om de een of andere reden niet in staat toe te geven aan het magnetisme. Ik probeerde de film wat te volgen… de ene na de andere macho waagde zijn leven voor een van zijn makkers en werd neergeschoten. Ik wist niet eens hoe de film heette, waar hij over ging, en ik ergerde me er enorm aan. Toen de lichten weer aangingen en de aftiteling in beeld kwam draaide Gabriël zich naar me om.
“Wat een verspilling van ons geld.” Lachte hij. Ik kon het niet tegenspreken, wat ik had gezien, al was het maar een erg klein deel van de film, had me totaal niet aangestaan. Ik knikte.
“Heb je honger?” Vroeg ik, plots wanhopig ongerust over de mogelijkheid dat hij naar huis zou gaan nu de film afgelopen was.
“Njah, ik heb wel zin in een lekkere vettige hamburger anders.” Ik zuchtte.
“Laat ons dan maar een quick ofzo gaan zoeken.” Ik keek hem nog steeds aan en plots was het er… Vuurwerk. Zijn lippen raakten plots de mijne en de wereld hield op met bestaan. Op dat ogenblik was er niets meer dan “hij en ik”, was er niets meer dan wij. Zodra we elkaar los lieten, een eeuwigheid later, keek ik hem recht in de ogen. Ze straalde. We liepen samen de zaal uit, hand in hand, en gingen op zoek naar ergens waar we konden eten.

3. Mijn Engel

Door de lamellen drong het eerste licht de kamer binnen. Verdwaasd knipperde ik met mijn ogen, om te concluderen dat ik nog sliep. Dat kon niet anders. Naast mij lag immers het aller-wonderlijkste wezen dat er ooit heeft bestaan, en ooit zal bestaan. Het bewijs voor het bestaan van hogere machten. Als een klein kind dat zijn eigen zintuigen niet vertrouwde wreef ik in mijn ogen en beet ik op mijn lip. Nadat ik in mijn ogen had gewreven lag hij er nog steeds, en de pijn garandeerde me dat ik weldegelijk wakker was. Ik legde mijn hoofd weer neer op het kussen en staarde naar de engel die naast me in bed lag. Hij sliep nog vredig en ik kon ongestoord naar hem kijken. Terwijl ik zijn knappe gezicht in me opnam dacht ik terug aan de voorbije maanden. Mijn herinneringen werden overspoeld met zijn lieve lach, zijn mooie,hese stem, zijn gouden haren waarin de zon gevangen leek te zijn en zijn blauwe ogen waarin ik keer op keer verdronk.
“Waar een stomme regenbui al niet voor kan zorgen,”Dacht ik “als ik toen niet was gaan schuilen, dan had ik hem vast nooit ontmoet…”
Ik streelde zijn zachte huid en voelde me compleet gelukkig. Zo had ik me gisteravond ook gevoeld, toen hij en ik in elkaars armen in slaap waren gevallen. Deze jongen was een engel, en wel de mijne. Hoe meer ik er over nadacht hoe duidelijker het me werd. Hij kon niet anders dan een Engel zijn, sinds zijn komst was heel mijn wereld veranderd, verbeterd…Het kon dus niet anders.
Hij werd langzaam wakker en keek me lachend aan. Hij draaide zich naar me toe en drukte zijn lippen op de mijne. Compleet gelukkig keek ik naar hem. En het was op dat ogenblik dat ik het besefte; mijn hart behoorde enkel hem toe.

Re: [Verhaal]De Roze Ridder

Geplaatst: 08 jul 2010 15:29
door dwaallichtje
Knap verhaal!

Heb het in één ruk uitgelezen. Het leest zeer vlot.
Mooi gedaan, zowel de plotse sprong naar het verleden als de wissel van hoofdpersonage.

Proficiat!

Re: [Verhaal]De Roze Ridder

Geplaatst: 08 jul 2010 15:51
door Stiko
Bedankt!

Re: [Verhaal]De Roze Ridder

Geplaatst: 11 sep 2010 01:29
door Chuck
dwaallichtje schreef:Knap verhaal!

Heb het in één ruk uitgelezen. Het leest zeer vlot.
Mooi gedaan, zowel de plotse sprong naar het verleden als de wissel van hoofdpersonage.

Proficiat!
² :!: :sun:

Re: [Verhaal]De Roze Ridder

Geplaatst: 12 sep 2010 20:55
door Toerist
prachtig geschreven verhaal, misschien moet je wel een carriere als professionele schrijver overwegen ;)